IEF 18369

Geen zekerheidsstelling proceskosten vanwege Turkse woonplaats

Rechtbank Den Haag 6 februari 2019, IEF 18369; ECLI:NL:RBDHA:2019:2016 (X tegen Havensluis) In de hoofdzaak vordert eiser voornamelijk Havensluis te veroordelen elk inbreukmakend gebruik op het merk Vestival te staken en gestaakt te houden. In dit incident vordert Havensluis dat eiser wordt veroordeeld tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten nu eiser in Turkije woonachtig is. Echter nu een uitzondering als bedoeld in artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv zich voordoet, wordt Havensluis in het ongelijk gesteld, en in de proceskosten veroordeeld op grond van artikel 1019h Rv.

4.1. Krachtens het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv is een partij zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland op vordering van de wederpartij verplicht zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan hij zou kunnen worden veroordeeld, tenzij er sprake is van één van de uitzonderingen zoals vermeld in artikel 224 lid 2 aanhef en onder a tot en met d Rv.

4.2. Tussen partijen is weliswaar in geschil dat het door [eiser] in de dagvaarding vermelde adres in [plaats 1] bestaat, maar niet dat [eiser] nu in Turkije woont. Gelet op deze woonplaats van [eiser] is hij in beginsel gehouden om zekerheid te stellen. [eiser] stelt evenwel dat de uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv zich voordoet. Het beroep op deze uitzondering slaagt. Ingevolge artikel 17 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, waarbij onder meer Nederland en Turkije verdragsluitende staten zijn, kan geen zekerheidsstelling worden opgelegd aan onderdanen van één van de verdragsluitende staten, die in één van die staten hun verblijfplaats hebben. [eiser] stelt dat hij de Turkse nationaliteit heeft. Havensluis B.V. c.s. zegt daar in haar incidentele conclusie niets over, terwijl zij het beroep van [eiser] op genoemde uitzondering wel kon voorzien. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat [eiser] de Turkse nationaliteit heeft, zodat deze uitzondering op hem van toepassing is. De incidentele vordering dient op deze grond te worden afgewezen.