IEF 18386

Geen wilsovereenstemming gebruik foto's op canvas of verwerking tot olieverfschilderij

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 18 maart 2019, IEF 18386; ECLI:NL:OGEAC:2019:53 (X tegen BDC en BDT) Auteursrecht. Deze zaak gaat over het gebruik door BDT (en/of BDC) van foto’s die door eiseres zijn gemaakt en waarvan het auteursrecht bij haar rust. Dat laatste staat tussen partijen niet ter discussie. Verweerder meent echter dat zij met eiseres een overeenkomst heeft gesloten op grond waarvan zij gerechtigd was om de foto’s te gebruiken en af te drukken op canvas dan wel te verwerken tot een olieverfschilderij. Het gerecht concludeert dat tussen partijen geen wilsovereenstemming is ontstaan. Gevorderd wordt de vernietiging van inbreukmakende zaken en schadevergoeding in de vorm van winstafdracht.

2.4. Mede gelet op het verweer van [eiseres], is het gerecht van oordeel dat BDT aldus onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat tussen partijen wilsovereenstemming is ontstaan over het gebruik door BDT van de foto’s van [eiseres]. Daartoe overweegt het gerecht het volgende.

2.5. [eiseres] heeft betwist dat tijdens het gesprek van 26 augustus 2015 een akkoord is bereikt over de prijs per foto. Zij heeft gesteld dat [directeur] tijdens dat eerste gesprek een prijs van NAf 6 à NAf 7 noemde en dat [eiseres] daar om moest lachen, waarna [directeur] heeft gezegd dat zij het over de prijs wel eens zouden worden. In het licht van deze concrete betwisting door [eiseres] acht het gerecht van belang dat BDT niets concreets heeft gesteld over hetgeen partijen tijdens dat gesprek van 26 augustus 2015 hebben besproken, met name niet waaruit BDT concreet heeft afgeleid dat [eiseres] met een prijs van NAf 4 per foto akkoord was. BDT heeft volstaan met de stelling dat [eiseres] akkoord was. 2.10. BDT heeft aangevoerd dat de omstandigheid dat [eiseres] foto’s in hoge resolutie en zonder beveiliging heeft verstuurd erop wijst dat wel degelijk een overeenkomst tot stand was gekomen. Het gerecht deelt deze opvatting niet. Achteraf bezien was het onverstandig van [eiseres] om haar foto’s op deze wijze aan BDT ter beschikking te stellen. In het licht van de hierboven genoemde omstandigheden, die erop wijzen dat partijen nog geen overeenstemming hadden bereikt, had BDT daaraan echter niet de conclusie mogen verbinden dat [eiseres] akkoord was met het gebruik van haar foto’s. Als BDT dacht de handelwijze van [eiseres] wel in deze zin te mogen begrijpen, dan had van haar in de gegeven omstandigheden verwacht mogen worden de juistheid van die interpretatie te checken. Dat heeft zij niet gedaan.

2.11. De slotsom van het voorgaande is dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen ter zake het gebruik door BDT van de foto’s van [eiseres]. BDT was tot dat gebruik dus niet gerechtigd.

2.12. Door de foto’s van [eiseres] wel te gebruiken en te verwerken tot afdrukken op canvas dan wel als olieverfschilderij (hierna: de inbreukmakende zaken) en vervolgens te koop aan te bieden in de winkels van Building Depot handelt BDT onrechtmatig jegens [eiseres]. Op grond van artikel 3:296 BW wordt hij die jegens een ander verplicht is iets na te laten daartoe door de rechter veroordeeld. De daartoe strekkende vordering onder (i) in reconventie in de tussenkomst zal daarom worden toegewezen.