IEF 18451

Geen vordering tegen bestuurder bij verkoop van schilderijencollectie

Hof Amsterdam 23 april 2019, IEF 18451; ECLI:NL:GHAMS:2019:1464 (AAI tegen X) Verkoop van schilderijencollectie waarvan een deel vervalst blijkt en waarvan de waarde door deskundige op aanzienlijk lager bedrag is vastgesteld dan koopprijs. Verkopende vennootschap is in eerste aanleg onherroepelijk veroordeeld tot schadevergoeding wegens non-conformiteit. Hof wijst evenals rechtbank vordering tegen bestuurder van vennootschap af. Evenmin wordt aansprakelijkheid aangenomen wegens onrechtmatig handelen in bijzondere hoedanigheid (‘Tulip Air’).

3.8.
Voor het hof weegt zwaar dat de waarde van de collectie van [X] in de loop der jaren door verschillende taxateurs is gewaardeerd op aanzienlijk hogere bedragen dan de door AAI betaalde koopprijs. Onbestreden is dat de kunstcollectie ten behoeve van de verzekering in 1997 door [B] en [C] en in 2006, 2009 en 2012 door [D] is getaxeerd op achtereenvolgens ƒ 8.051.000,-, € 4.260.450,-, € 5.121.400,- en € 4.092.850,- (vergelijk het tussenvonnis van 6 april 2016 onder 2.4). Ook [A] heeft de collectie getaxeerd, zoals eerder vermeld (€ 3.759.100,-). Er hebben weliswaar wijzigingen plaatsgehad in de collectie, maar deze kunnen het verschil tussen de hier genoemde taxatiewaarden en de op de taxatie van [A] gebaseerde koopprijs niet verklaren. Zoals uit de beslissing van de Geschillencommissie Federatie van Taxateurs Makelaars en Veilinghouders in roerende zaken van 23 oktober 2015 volgt, past bij de taxaties en wijze van rapporteren door zowel [D] als [A] een kritische kanttekening te maken. Ten aanzien van [D] : als gedegen onderzoek naar de authenticiteit niet plaats vindt/kan vinden, behoort dat in het rapport te worden vermeld, hetgeen niet is gebeurd. Ook overigens ontbreekt iedere onderbouwing van de totstandkoming van de taxatie. Ten aanzien van [A] : de zojuist vermelde kritiek geldt ook voor [A] en voorts heeft [A] niet de wijze vermeld waarop de taxatie is tot stand gekomen, terwijl hij geen enkel onderliggend document heeft ingezien en het taxatierapport van [D] min of meer als leidraad heeft gebruikt. Dat, zoals AAI in dat geschil met beide taxateurs had gesteld, [A] en [D] elk met [X] hebben samengespannen voor het afgeven van onjuiste waardetaxaties heeft de Geschillencommissie niet onderschreven. Het hof sluit zich bij gebreke van voldoende aanwijzingen voor het tegendeel bij een en ander aan. Dit alles laat echter onverlet dat verschillende taxateurs, hoezeer ook hun onderzoek niet of niet in de eerste plaats was gericht op het vaststellen van de authenticiteit van de collectie, kennelijk niet hebben onderkend dat een substantieel deel van de collectie niet was vervaardigd door de kunstenaars aan wie de desbetreffende werken waren toegeschreven. Hetzelfde geldt ten aanzien van een werk dat [X] in consignatie had gegeven aan een galeriehouder en werken waarvan hij een foto had gezonden aan Rijksbureau voor kunsthistorische documentatie.

3.10.
Het is waar dat documentatie omtrent de geschiedenis en herkomst van de collectie (aankoopbewijzen, certificaten van echtheid) ontbreekt. Niet of onvoldoende is betwist dat de collectie voor een belangrijk deel reeds lang in eigendom was van (de familie van) [X] en dat [X] nooit voor ogen heeft gehad te handelen daarmee. Het belang van het ontbreken van certificaten wordt bovendien in ruime mate gerelativeerd door de taxaties die van tijd tot tijd zijn uitgevoerd. Dat werken niet in catalogi zijn opgenomen, is niet van grote betekenis nu het een privé collectie betrof. Het hof acht hier van belang dat het grootste deel van de collectie, waaronder begrepen enkele belangrijke werken, kennelijk als authentiek moet worden aangemerkt en voorts dat de waarde van een aantal werken - omstreeks 20 - door de deskundige op een hoger bedrag is getaxeerd dan door [D] en [A] . Het hof acht voor de beoordeling van de handelwijze van [X] van onvoldoende gewicht dat ook de achtereenvolgende taxateurs bij hun taxaties niet de beschikking hadden over eerder bedoelde documentatie en dat [X] daarmee bekend was. Er bestaat immers onvoldoende grond voor de veronderstelling dat [X] heeft geweten of moet hebben geweten dat aan de achtereenvolgende taxaties geen of minder betekenis toekwam wegens het ontbreken van die documentatie en de stelling van AAI dat [X] haar om die reden had behoren te informeren daaromtrent. Dat [X] bewust een risico heeft genomen van non-conformiteit, zoals AAI ook heeft betoogd, kan daarom evenmin worden aangenomen. AAI heeft nog gesteld dat het taxatierapport van [A] was opgesteld zonder dat een (volledige) fysieke inspectie van de kunstcollectie had plaatsgevonden, maar AAI heeft daarbij niet toegelicht waarop zij deze (door [X] overigens betwiste) stelling heeft gebaseerd.

Hoary [CC BY-SA 3.0]