IEF 20807

Geen tekortkoming, dus geen schadevergoeding

Ktr. Rb. Gelderland 15 juni 2022, IEF 20807; ECLI:NL:RBGEL:2022:2912 (Uitgever tegen schrijver) Eiser is een uitgeverij en gedaagde is schrijver. Eiser en gedaagde hebben een auteurscontract gesloten voor de uitgave van een boek. Nadat het boek in verkoop was gegaan, heeft de dochter van gedaagde zowel gedaagde als eiser gesommeerd te stoppen met de uitgave van het boek. Eiser vordert schadevergoeding van gedaagde vanwege het onverplicht uit de handel nemen van de boeken. Gedaagde betwist tekort te zijn geschoten en vordert betaling van de opbrengst van de reeds verkochte boeken. De rechter oordeelt dat uit het auteurscontract geen verplichting voor gedaagde volgt om actief op te treden. De rechter is daarom van oordeel dat gedaagde niet tekort is geschoten. Ook heeft eiser zelf besloten de verkoop van het boek (tijdelijk) op te schorten. De vordering tot schadevergoeding van eiser wordt daarom afgewezen. Eiser geeft aan dat de opbrengst van de boeken die aan de gedaagde toekomt verrekend is met zijn schadevergoeding. Nu de rechter de vordering tot schadevergoeding heeft afgewezen, kan de opbrengst niet op deze manier verrekend worden. De vordering van de gedaagde wordt toegewezen.

4.3.1. Dat [gedaagde] een verplichting zou hebben om actief te op te treden, en niet stil te zitten, volgt niet uit het auteurscontract. Er is daarom al geen sprake van een tekortkoming.

Daarnaast is de stelling over het stilzitten feitelijk onjuist, zoals [gedaagde] onderbouwd en gemotiveerd heeft betoogd. [gedaagde] heeft juist wel actie ondernomen. [gedaagde] heeft na ontvangst van de sommatiebrief van zijn dochter samen met zijn gemachtigde - en aanvankelijk ook met [eiser] - een strategie bepaald. Ook heeft [gedaagde] zijn dochter geantwoord dat hij niet zou voldoen aan de sommatie. Vervolgens heeft [gedaagde] , na de intrekking van het kort geding, aan [eiser] (per brief van 24 januari 2020) bericht dat er nog verkoopmogelijkheden waren. [eiser] heeft tegen de opsomming van deze acties niets ingebracht.

4.3.2. De stelling dat [gedaagde] het boek uit de handel zou hebben gehaald is ook terecht weerlegd. [eiser] heeft, na ontvangst van de sommatiebrief van de dochter van [gedaagde] , namelijk zèlf besloten de verkoop van het boek op te schorten tot er een uitspraak in het kort geding was. Dit volgt uit de brief van 17 december 2019. Als uitgever was hij hier - op grond van het auteurscontract - ook toe in staat. [gedaagde] heeft zich vervolgens bij deze beslissing neergelegd. Maar dat maakt niet dat het de beslissing van [gedaagde] was. Dat [gedaagde] daarna zou hebben besloten het boek definitief uit de handel te halen is ook niet gebleken. Juist niet; op 24 januari 2020 (iets langer dan een maand na de intrekking van het kort geding) heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten dat er nog voldoende verkoopmogelijkheden waren wat hem betreft. Het is vervolgens [eiser] geweest die hier niet op in is gegaan, zo is onweersproken door [gedaagde] betoogd.

4.8. Aangezien de vordering tot schadevergoeding is afgewezen, is er geen grond voor [eiser] om te verrekenen. Verder is de verschuldigdheid en de hoogte van de vordering op zichzelf verder niet betwist, zodat deze vordering zal worden toegewezen.