IEF 19339

Geen schending auteursrecht bij afwijkend rapport

Rechtbank Rotterdam 29 april 2020, IEF 19339; ECLI:NL:RBROT:2020:4173 (Afwijkende versie rapport) Auteursrecht. Eisers stellen dat gedaagde (hun advocaat) hun rapport heeft vervalst en daarmee hun auteursrecht op het rapport heeft geschonden. In kort geding zijn deze vorderingen toegewezen. In de bodemzaak wijst de rechtbank deze vorderingen af. Het rapport dat door de advocaat is ingebracht in kort geding, is een andere versie van het rapport dan de originele versie. De rechtbank is het met gedaagde eens over het feit dat er geen enkel verband bestaat tussen de afwijkingen (ten opzichte van het originele rapport) en de (dwangsom)veroordelingen zoals die zijn uitgesproken door de rechtbank en het hof in Den Bosch. De afwijkingen tussen beide rapporten zijn tekstueel en ondergeschikt van aard. Er valt niet in te zien dat en waarom de voorzieningenrechter tot een ander oordeel zou zijn gekomen als de originele versie van het rapport als uitgangspunt zou zijn genomen.

4.11. Het voorgaande geldt des te meer voor de overige in de dagvaarding van 22 december 2017 uiteengezette afwijkingen tussen de beide rapporten, die vooral tekstueel en ondergeschikt van aard zijn. Op geen enkele manier valt in te zien dat en waarom in rechte tot een ander oordeel zou zijn gekomen als niet de afwijkende, maar de originele versie van het rapport bij de beoordeling als uitgangspunt zou zijn genomen. Daarbij komt dat de veroordelingen in het arrest van 28 mei 2013 niet alleen zijn gebaseerd op het rapport, maar ook op andere onrechtmatig geoordeelde uitlatingen van [eiser 2] en de stichting jegens [gedaagde] c.s. Aldus bestaat er geen belang bij beantwoording van de vraag wie verantwoordelijk is geweest voor het produceren van de afwijkende versie en daarmee samenhangend de vraag of [gedaagde] het auteursrecht van de stichting heeft geschonden, nu het antwoord op die vraag niet kan leiden tot het door [eiser 2] c.s. in deze procedure beoogde rechtsgevolg. De vorderingen in dit kader moeten daarom, bij gebreke van belang daarbij, worden afgewezen. De rechtbank merkt daarbij ten aanzien van vordering 6 nog op dat de taakverdeling tussen de civiele rechter en de strafrechter meebrengt dat de vraag of een partij zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten niet ter beoordeling staat van de civiele rechter, maar van de strafrechter. Ten aanzien van vordering 7 merkt de rechtbank op dat, nu niet in geschil is dat de stichting auteursrechthebbende op het rapport is, deze vordering in beginsel toewijsbaar zou zijn. Omdat [gedaagde] in de onderhavige procedure te kennen heeft gegeven dat zij het rapport niet wíl verspreiden en openbaar maken - en de rechtbank vaststelt dat zij daarbij ook geen enkel belang heeft, nu zij de verspreiding en openbaarmaking van het rapport juist heeft laten verbieden - ontbreekt ook in zoverre echter belang bij deze vordering. Ten aanzien van vordering 13 en 14 merkt de rechtbank ten slotte op dat, gelet op het voorgaande, aan bewijslevering niet wordt toegekomen.