IEF 18402

Geen schadevergoeding vanwege onvoldoende verband misleidende uitlatingen en aankoop loten

Rechtbank Den Haag dinsdag 19 maart 2019, IEF 18402, Rb 3294; ECLI:NL:RBDHA:2019:2662 (X tegen de Staatsloterij). Misleidende reclame. Causaal verband. X speelt met een abonnement mee in de Nederlandse Staatsloterij. Vast staat de de Staatsloterij misleidende uitlatingen heeft gedaan over de winkansen van deelnemers. X heeft mede in het licht van zijn spelgeschiedenis niet aannemelijk kunnen maken dat zijn meespelen verband houdt met de uitlatingen die de Staatsloterij heeft gedaan. X heeft derhalve niet de feiten en omstandigheden gesteld die hij moest stellen om aan te nemen dat hij als gevolg van de misleidende uitingen is overgegaan tot aankoop van de loten.

4.10. (...) Uit het voorgaande volgt dat [deelnemer] volgens de hoofdregel voldoende feiten en omstandigheden zal moeten stellen en zonodig bewijzen waaruit kan volgen dat hij als gevolg van de misleidende uitingen is overgegaan tot aankoop van de loten. Daarover heeft [deelnemer] het volgende gesteld. Volgens hem is het zeer aannemelijk dat hij zich heeft laten verleiden tot de deelname aan de reguliere loterijen door spreuken als "elke maand 20 winnaars van € 100.000,00". Hij is immers een particulier en heeft weinig kennis van en ervaring met de Wet op de Kansspelen. Vast staat echter dat [deelnemer] vanaf 1994 onafgebroken op dezelfde wijze is blijven meespelen aan de reguliere loterij en daarin nog steeds meespeelt. Zijn speelgedrag was in de jaren dat de misleidende mededelingen zijn gedaan niet afwijkend van de periode daarvoor of daarna. De spelgeschiedenis van [deelnemer] wijst er dus juist op dat de in 2.3 bedoelde misleidende mededelingen van de Staatsloterij in het geheel geen beslissende invloed op [deelnemer] hebben gehad. In het licht hiervan had [deelnemer] zijn standpunt dat hij door de misleidende mededelingen over de (minuscule) winkansen is beïnvloed, nader dienen te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. Dat die mededelingen een beslissende invloed hebben gehad, in die zin dat [deelnemer] niet, minder vaak of met minder loten zou hebben meegespeeld, als de Staatsloterij correcte mededelingen zou hebben gedaan, kan uit de door [deelnemer] gestelde feiten en omstandigheden niet worden afgeleid.

4.11. De conclusie moet dan ook zijn dat [deelnemer] onvoldoende feiten en omstandigheden aan zijn betoog ten grondslag heeft gelegd. Voor nadere bewijslevering is bij die stand van zaken geen ruimte. Nu er geen causaal verband is gebleken tussen de uitlatingen van de Staatsloterij en de aankoop van loten door [deelnemer] , moeten zijn vorderingen worden afgewezen. Dit verband wordt immers vereist zowel bij de vordering op grond van onrechtmatige daad als op grond van dwaling/bedrog. Daarover heeft [deelnemer] het volgende gesteld. Volgens hem is het zeer aannemelijk dat hij zich heeft laten verleiden tot de deelname aan de reguliere loterijen door spreuken als "elke maand 20 winnaars van € 100.000,00". Hij is immers een particulier en heeft weinig kennis van en ervaring met de Wet op de Kansspelen. Vast staat echter dat [deelnemer] vanaf 1994 onafgebroken op dezelfde wijze is blijven meespelen aan de reguliere loterij en daarin nog steeds meespeelt. Zijn speelgedrag was in de jaren dat de misleidende mededelingen zijn gedaan niet afwijkend van de periode daarvoor of daarna. De spelgeschiedenis van [deelnemer] wijst er dus juist op dat de in 2.3 bedoelde misleidende mededelingen van de Staatsloterij in het geheel geen beslissende invloed op [deelnemer] hebben gehad. In het licht hiervan had [deelnemer] zijn standpunt dat hij door de misleidende mededelingen over de (minuscule) winkansen is beïnvloed, nader dienen te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. Dat die mededelingen een beslissende invloed hebben gehad, in die zin dat [deelnemer] niet, minder vaak of met minder loten zou hebben meegespeeld, als de Staatsloterij correcte mededelingen zou hebben gedaan, kan uit de door [deelnemer] gestelde feiten en omstandigheden niet worden afgeleid.