IEF 19881

Geen recht op inzage in administratie bol.com

Rechtbank Midden-Nederland 17 maart 2021, IEF 19881, ECLI:NL:RBMNE:2021:1068 (Chanel tegen Bol.com) Modegigant Chanel verkoopt doorgaans haar cosmeticaproducten via haar eigen websites en winkels. Binnen de Europese Unie worden deze producten ook gedistribueerd en verkocht via een selectief distributiesysteem. Chanel kiest hierbij haar eigen distributeurs uit. Bol.com verkoopt producten van Chanel, maar maakt geen onderdeel uit van het distributiesysteem. Chanel vordert daarom inzage in de administratie van Bol.com om zo achter de herkomst van de producten die Bol.com verkoopt te komen. De rechtbank wijst de vordering van Chanel af wegens het ontbreken van een vereiste 'rechtsbetrekking' dan wel een rechtmatig belang voor het instellen van de desbetreffende inzagevordering. Chanel heeft o.a. onvoldoende aannemelijk weten te maken dat de producten zonder haar toestemming binnen de EER op de markt zijn gebracht.

4.8. Wanneer een licentiehouder van het merk voorziene waren in de handel brengt, moet dit in beginsel worden geacht te geschieden met toestemming van de merkhouder. De hiervoor genoemde door Chanel onderzochte gevallen lijken dan ook een bevestiging van de juistheid van de stelling van Bol.com op te leveren dat er sprake is van toegestane parallel import van authentieke producten en dat de merkenrechten van Chanel daarom zijn uitgeput. Hoewel er in dit geval maar een zeer beperkt aantal producten van de door Bol.com aangeboden Chanelproducten daadwerkelijk zijn onderzocht, moet er wel enige indicatie zijn dat de producten ofwel namaakproducten betreffen ofwel zonder toestemming van Chanel binnen de EER op de markt zijn gebracht. Noch in de dagvaarding noch tijdens de mondelinge behandeling heeft Chanel haar stelling dienaangaande voldoende concreet gemaakt dan wel enige onderbouwing daarvan kunnen geven. Daarmee heeft Chanel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt als bedoeld in de onder 4.2. genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad. Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank ervan uit (1) dat de door Bol.com aangeboden en verkochte Chanelproducten met toestemming van Chanel binnen de EER op de markt zijn gebracht, (2) dat de verdere verhandeling daarvan in beginsel geen merkinbreuk oplevert en (3) dat de gestelde ‘merkinbreuk’ daarom geen rechtsbetrekking oplevert waarop een 843a Rv vordering kan worden gebaseerd.

4.14. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank samenvattend tot de conclusie dat Chanel onvoldoende aannemelijk heeft weten te maken dat de door Bol.com verhandelde Chanelproducten zonder toestemming van Chanel binnen de EER in de handel zijn gebracht (zie 4.8.) of dat zij de gevraagde informatie nodig heeft om haar rechtspositie (in relatie tot Bol.com) te bepalen (zie 4.13.). Hierdoor ontbeert de ingevolge artikel 843a Rv door Chanel ingestelde inzagevordering de vereiste ‘rechtsbetrekking’ dan wel heeft ze bij die inzage geen rechtmatig belang (zie 4.1.). Dat de bewijslast voor uitputting in een eventuele door Chanel te starten inbreukprocedure tegen Bol.com op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad in de zaak Lancaster (ECLI:NL:HR:2008:BC7429) en het Hof van Justitie EU (ECLI:EU:C:2009:260, Copad/Dior) mogelijk bij Bol.com komt te liggen – wat door Bol.com eveneens gemotiveerd wordt betwist –, maakt de uitkomst niet anders. Zoals gezegd is het in het kader van de inzagevordering immers aan Chanel om de door haar gestelde rechtsgronden in voldoende mate aannemelijk te maken (zie 4.2.). Daarin is zij in deze procedure vooralsnog onvoldoende geslaagd.