IEF 18328

Geen publicatieverbod voor boek #jehebtaltijdeenkeuze#

Ktr. Rechtbank Overijssel 21 maart 2019, IEF 18328; ECLI:NL:RBOVE:2019:966 (ex-man tegen #jehebtaltijdeenkeuze#) Mediarecht. Eiser en gedaagde zijn van 2000 tot 2010 getrouwd geweest. Gedaagde heeft een boek geschreven over onder andere deze relatie met de titel #jehebtaltijdeenkeuze#. Het boek wordt uitgegeven door uitgeverij Droomvallei. Op de voor- en achterkant van het boek staat een foto van gedaagde waarop de helft van haar gezicht zichtbaar is. De tekst op de achterkant van het boek luidt onder andere: “In #jehebtaltijdeenkeuze# beschrijft X hoe het kwam dat ze zo lang in deze verstikkende relatie bleef hangen.” In diverse media en op de eigen website van gedaagde is aandacht besteed aan de lancering van het boek. Op haar website heeft gedaagde passages uit het boek gepubliceerd, die kort gezegd verwijzingen bevatten naar haar huwelijk met eiser, waarin zij psychisch en lichamelijk zou zijn mishandeld door eiser, die een narcist zou zijn. De vordering van eiser om de publicatie en verspreiding van het boek per direct te staken wordt door de rechter afgewezen. Het boek dient te worden beschouwd als een autobiografie, geschreven vanuit het perspectief en de ervaringen van gedaagde, en in het boek staat de persoonlijke ontwikkeling van gedaagde centraal. Dat het boek ook over eiser gaat is onvermijdelijk aangezien ze tien jaar getrouwd zijn geweest. De voorzieningenrechter volgt eiser niet in zijn stelling dat gedaagde geen belang heeft bij de publicatie van het boek. Publicatie van het boek is een logisch vervolg op de carrière van gedaagde die als ervaringsdeskundige trainingen en lezingen geeft over huiselijk geweld en dikwijls in de media optreedt. De publicatie van het boek voorziet in dezelfde behoefte als waarin de andere activiteiten van gedaagde voorzien, namelijk het verwerven van inzicht in situaties van huiselijk geweld. Publicatieverbod wordt afgewezen.

4.2. Het gaat in deze zaak om een botsing van twee fundamentele rechten, te weten enerzijds het door artikel 7 Grondwet (Gw) en artikel 10 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde 1] en anderzijds het door artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] , waaronder het door hem ingeroepen recht op bescherming van de goede naam/reputatie is begrepen (EHRM 15 november 2007, no. 12556/03, Pfeifer/Oostenrijk, EHRC 2008, 6). Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle relevante omstandigheden van het geval. Bij deze afweging geldt niet als uitgangspunt dat steeds voorrang toekomt aan het door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht en voor de door artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM beschermde rechten geldt hetzelfde. De toetsing dient in één keer te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 (zie HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230).
 
4.5. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter het boek niet van a tot z kunnen lezen, maar wel een eerste indruk van het boek kunnen krijgen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient het boek te worden beschouwd als een autobiografie, geschreven vanuit het perspectief en de ervaringen van [gedaagde 1] , en staat in het boek de persoonlijke ontwikkeling van [gedaagde 1] centraal. Illustratief is wat dat betreft het voorwoord van het boek dat luidt: Dit is mijn verhaal en mijn waarheid. Daartegenover laat ik ook de waarheid van mijn (ex)man zien. Hoe gek het misschien ook klinkt, ik ben hem dankbaar voor de tijd dat ik bij hem ben geweest. Niet omdat ik het graag mee heb willen maken, maar omdat het me uiteindelijk heeft gemaakt tot de vrouw naar wie ik mijn hele leven al op zoek was. Ik ben er sterker door geworden en heb er mijn levensdoel door gevonden. Het heeft me geleerd om tegenslagen te verwerken.” (onderstreping aangebracht door de voorzieningenrechter).
 
4.6. Dat het boek deels over [eiser] gaat is onvermijdelijk, omdat [gedaagde 1] tien jaar met [eiser] getrouwd is geweest en hij dus een belangrijke rol in haar leven heeft gespeeld. Het boek gaat ook over de eerste echtgenoot van [gedaagde 1] , die hiervoor toestemming heeft gegeven (productie 1 zijdens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ).
 
4.7. Gezien de aard van het boek, mag van [eiser] redelijkerwijs worden verwacht dat hij accepteert dat er een eenzijdig beeld in het boek wordt geschetst. Het boek is uit de eigen belevingen en ervaringen van [gedaagde 1] geschreven. Voor ieder redelijk denkend lezer zal dat ook direct duidelijk zijn, alleen al gelet op de eerste zin van het hiervoor geciteerde voorwoord.
 
4.8. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ter zitting aangevoerd dat zij met het boek niet de bedoeling hebben gehad om [eiser] te beschadigen. Het boek gaat volgens hen niet over [eiser] , maar over (het leven van) [gedaagde 1] . Daarom zouden, met uitzondering van de naam van [gedaagde 1] , de namen van de personen die in het boek voorkomen zijn gefingeerd en kenmerkende aspecten, zoals het uiterlijk, de sportcarrière en het type auto van [eiser] , zijn veranderd. Plaatsnamen zouden zijn weggelaten, behalve waar het [woonplaats 2] betreft, waar [gedaagde 1] momenteel woonachtig is.
 
4.10. De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in zijn stelling dat [gedaagde 1] geen belang heeft bij de publicatie van het boek. Vast staat dat [gedaagde 1] al jaren als ervaringsdeskundige trainingen en lezingen geeft over huiselijk geweld en in dat kader ook al veelvuldig in de media is verschenen. Publicatie van het boek is daarop, zo begrijpt de voorzieningenrechter de stelling van [gedaagde 1] , een logisch vervolg en voorziet in dezelfde behoefte als waarin de andere activiteiten van [gedaagde 1] voorzien, namelijk het verwerven van inzicht in situaties van huiselijk geweld.
 
4.11. Bij de afweging van de wederzijdse belangen speelt ook een rol dat boeken als de onderhavige doorgaans niet een heel breed publiek aanspreken. Naast familieleden en bekenden zal het boek, naar het zich laat aanzien, met name gekocht worden door personen die zich identificeren met [gedaagde 1] , vanwege de ervaring die zij stelt te hebben gehad met huiselijk geweld. Dat zal een beperkte doelgroep zijn, en omdat [gedaagde 1] al geruime tijd als ervaringsdeskundige optreedt, zal de inhoud van het boek voor hen niet (volledig) nieuw zijn.
 
4.12. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [eiser] en [gedaagde 1] al tien jaar geleden gescheiden zijn en dat [eiser] geen publiek figuur is. Dat [eiser] door publicatie van het boek in zijn eer of goede naam wordt aangetast, acht de voorzieningenrechter dan ook niet aannemelijk. Al met al dient een belangenafweging naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter in het voordeel van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uit te vallen.
 
4.15. De conclusie luidt dan ook dat de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen. Dat deze zaak tot een andere uitkomst leidt dan twee door [eiser] aangehaalde zaken (ECLI:NL:RBROT:2016:1431 en ECLI:NL:RBDHA:2018:5237), die op het eerste oog sterke overeenkomsten lijken te bevatten met deze zaak, heeft drie redenen. In de door [eiser] aangehaalde zaken werden de in de boeken beschreven feiten uitdrukkelijk gepresenteerd als waargebeurde feiten, terwijl [gedaagde 1] haar boek presenteert als haar verhaal en haar waarheid. Verder is in de door [eiser] aangehaalde zaken voldoende aannemelijk gemaakt dat de boeken ernstige beschuldigingen aan het adres van de eisende partij in kwestie bevatten, die geen steun vinden in feitenmateriaal. In deze zaak is dat juist niet aannemelijk geworden, omdat de inhoud van het boek niet bekend is. Ten slotte is in de zaak die bij de rechtbank Den Haag heeft gediend, door de rechtbank overwogen dat in het betreffende boek zeer privacygevoelige zaken over de minderjarige kinderen van partijen werden gedeeld, zonder dat zij hier vooraf in zijn betrokken. De kinderen van [eiser] , en overigens ook de kinderen van [gedaagde 1] , zijn meerderjarig en één van de kinderen van [eiser] heeft toestemming gegeven voor publicatie van het boek. Ook de kinderen van [gedaagde 1] hebben hiervoor toestemming gegeven. Of in het boek zeer privacygevoelige zaken over de kinderen van [eiser] staan, is, zoals reeds is overwogen, in dit kort geding niet vast te stellen.