IEF 18215

Geen merkenrechtelijke bescherming voor de Tripp Trapp-stoel

Hof Amsterdam 4 februari 2019, IEF18251 (Hauck tegen Stokke c.s.) Zie ook: IEF 15458; IEF 15180; IEF 14209; IEF 12718; IEF 12554; IEF 11836; IEF 8503. Merkenrecht. Aan de orde is de vraag of de vorm van de Tripp Trapp-stoel op 8 mei 1998 rechtsgeldig als Benelux vormmerk voor ‘stoelen, met name kinderstoelen’ is gedeponeerd dan wel deze zich, gelet op het bepaalde in artikel 2.1 lid 2 BVIE, niet leent voor merkenrechtelijke bescherming. De opdracht aan het Hof van Amsterdam komt erop neer dat dit hof alsnog moet beoordelen of de uitsluitingsgronden van artikel 3 lid 1 sub e (i) en/of sub e (iii) Merkenrichtlijn van toepassing zijn. De Hoge Raad heeft dat zo verwoord dat dit hof moet onderzoeken of de vorm van de Tripp Trapp-stoel een teken is dat, gelet op bedoelde uitsluitingsgronden, “niet voor merkenrechtelijke bescherming in aanmerking komt hetzij op de ene grond, hetzij op de andere, hetzij volledig op elk van beide gronden”.
Het hof concludeert dat het merk zoals gedeponeerd waarop Stokke c.s. zich beroepen uitsluitend bestaat in de vorm van een kinderstoel. Dit is een vorm die door de aard van de waar wordt bepaald als in art. 2.1 lid 2 BVIE. Stokke c.s. komt dus geen merkenrechtelijke bescherming toe.

2.7. Niet in geschil is dat de Tripp Trapp-stoel door zijn (strakke) vormgeving een aantrekkelijk uiterlijk heeft en dat, naar in dit geding vast staat, deze vorm, met name waar het betreft de toepassing van schuine staanders waarin alle elementen van de stoel zijn verwerkt en de (cursieve) I-vorm van de staanders en liggers, voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt. Het zijn echter juist deze aspecten van de vormgeving van de stoel die in hoge mate bepalend zijn voor de hierboven beschreven gebruikskenmerken en die de stoel zo geschikt maken voor zijn functie als kinderstoel. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat het hier om (louter) sier- of fantasie-elementen gaat, of om enig niet aan de generieke functie van de stoel inherent sier-element dat een belangrijke of wezenlijke rol speelt in de vormgeving van de stoel.
Dat de consument met name aan de gebruiksfunctie van de Tripp Trapp-(kinder)stoel waarde hecht (en dus naar de met de vorm van de stoel bereikte functionaliteit mogelijkerwijs op zoek zal gaan in waren van concurrenten) wordt ook door Stokke c.s. in feite erkend, zij het dat zij vervolgens aan het feit dat kinderstoelen op verschillende wijze kunnen worden vormgegeven ten onrechte de conclusie verbinden dat de weigeringsgrond ‘aard van de waar’ niet van toepassing kan zijn. Blijkens de uitspraak van het Hof van Justitie (punt 23) is de toepassing van de uitsluitingsgrond ‘aard van de waar’ immers niet beperkt tot vormen die voor de functie van de waar onontbeerlijk zijn maar geldt die reeds indien de wezenlijke kenmerken van een vorm inherent zijn aan de generieke functie(s) van de waar, zodat wel degelijk ruimte blijft bestaan voor een wezenlijke eigen bijdrage van de betrokken producent. 
Dit leidt tot de slotsom dat het merk zoals gedeponeerd waarop Stokke c.s. zich beroepen een teken betreft dat uitsluitend bestaat uit de vorm van een kinderstoel, met wezenlijke gebruikskenmerken die inherent zijn aan de generieke functies van de kinderstoel en waarnaar de consument mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt, oftewel een vorm die door de aard van de waar wordt bepaald als bedoeld in art. 2.1 lid 2 BVIE.