1 jul 2026,
Geen individueel karakter voor Uniemodel van stervormige lampenkap
Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23657; IEFbe 4245; ECLI:EU:T:2026:425 (DecoTrend GmbH tegen EUIPO en Light Tec Ltd). In deze zaak vordert DecoTrend vernietiging en herziening van de beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO, waarin het beroep tegen de nietigverklaring van haar ingeschreven Uniemodel is verworpen. Het model, ingeschreven voor onder meer “guirlandes électriques” en “abat-jour”, wordt door het Gerecht op basis van de ingeschreven modelweergaven aangemerkt als een stervormige lampenkap en niet als een lichtsnoer of kerst-/adventster. Light Tec had de nietigheid van het model gevorderd op grond van artikel 25 lid 1 onder b Verordening 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 6 Verordening 6/2002, wegens gebrek aan individueel karakter. DecoTrend stelde dat de kamer van beroep de nietigheidsaanvraag ten onrechte had beoordeeld aan de hand van het oudere Duitse model D2, omdat volgens haar alleen het Amerikaanse octrooischrift en het daarin opgenomen model D1 waren ingeroepen. Het Gerecht verwerpt dit betoog: de nietigheidsaanvraag moest worden gelezen als één geheel, inclusief de bijlagen en motivering, waaruit voldoende duidelijk bleek dat ook D2 en D3 waren ingeroepen. Omdat één ouder model al voldoende kan zijn om individueel karakter te ontkrachten, mocht de kamer van beroep de beoordeling beperken tot D2.
Ook inhoudelijk slaagt het beroep niet. Het Gerecht acht van belang dat het betwiste model moet worden beoordeeld aan de hand van de ingeschreven modelweergaven; aanvullende foto’s van feitelijk verhandelde producten kunnen hoogstens illustratief zijn en waren hier niet beslissend. Voor lampenkappen bestaat bovendien geen beperkte ontwerpvrijheid: een lampenkap kan in uiteenlopende vormen en kleuren worden vormgegeven, zodat de stervorm en de rood-gele kleurstelling niet als typische kerstkenmerken terzijde kunnen worden geschoven. Hoewel er verschillen bestaan tussen het betwiste model en D2, onder meer in de vormgeving van de stralen en details van ophanging of stroomvoorziening, zijn die verschillen volgens het Gerecht onvoldoende om bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk te wekken. Het Gerecht bevestigt daarom dat het model geen individueel karakter heeft ten opzichte van D2, verwerpt beide middelen en wijst het beroep in zijn geheel af; DecoTrend wordt veroordeeld in de kosten van Light Tec, terwijl het EUIPO zijn eigen kosten draagt.
25 Ten eerste moet worden opgemerkt dat de benadering van de Raad van Beroep in de bestreden beslissing geen rechtsdwaling bevat. De Raad analyseert eerst of het betwiste ontwerp geen individueel karakter heeft ten opzichte van een van de verschillende eerdere ontwerpen, en pas daarna, indien het antwoord op de eerste vraag nee is, of het geen individueel karakter heeft ten opzichte van andere eerdere ontwerpen. Het is immers duidelijk uit artikel 6, lid 1, van Verordening nr. 6/2002 dat elk ontwerp dat eerder openbaar is gemaakt, op zichzelf en onafhankelijk van andere eerdere ontwerpen die kunnen worden ingeroepen, kan voorkomen dat het betwiste ontwerp een individueel karakter heeft. Indien dus voldaan wordt aan de grond voor nietigheid zoals bedoeld in artikel 25, lid 1, onder b), van Verordening nr. 6/2002 , gelezen in samenhang met de artikelen 4 en 6 van die Verordening, namelijk dat het betwiste ontwerp geen individueel karakter heeft ten opzichte van een eerder ontwerp, is deze omstandigheid op zich voldoende om het betwiste ontwerp nietig te verklaren. De Raad van Beroep kon daarom terecht afzien van een analyse van het individuele karakter van het betwiste ontwerp in relatie tot de andere eerder aangehaalde ontwerpen, met uitzondering van het eerdere ontwerp D2.
108 In dit verband moet worden opgemerkt dat de argumenten van de aanvrager, waarmee hij specifiek de vergelijking van de algemene indruk door de Raad van Beroep aanvecht, gebaseerd zijn op twee premissen die onjuist zijn gebleken. Ten eerste, in tegenstelling tot zijn bewering, betreffen de goederen die onder het betwiste ontwerp vallen "lampenkappen", en niet "elektrische slingers", kerststerren of adventssterren (zie paragrafen 63 tot en met 78 en 92 hierboven). Ten tweede is het in dit geval niet nodig rekening te houden met de daadwerkelijk in de handel gebrachte goederen waarop het betwiste ontwerp is toegepast (zie paragrafen 66 tot en met 78 hierboven). Zoals ook is opgemerkt, wordt met betrekking tot "lampenkappen" de mate van vrijheid van de ontwerper niet beperkt (zie punten 87 tot en met 97 hierboven) en is er geen sprake van een verzadiging van de stand van de techniek, die ertoe zou leiden dat de geïnformeerde gebruiker gevoeliger zou zijn voor relatief kleine verschillen tussen de conflicterende ontwerpen of modellen (zie punten 93 tot en met 97 hierboven).
109 In deze omstandigheden heeft de aanvrager ongelijk door te stellen dat de geïnformeerde gebruiker de stervorm van delen van de tegenstrijdige ontwerpen en de rode en gele kleuren als typisch voor kerst- of adventssterren zal beschouwen. Zoals de Raad van Beroep terecht opmerkte, kunnen lampenkappen elke vorm en kleur hebben. Aangezien dit kenmerken zijn waarvoor een zekere variatie bestaat, zal de geïnformeerde gebruiker er niet minder aandacht aan besteden dan aan andere kenmerken van de ontwerpen.
110 Gezien de relatieve complexiteit van deze vormen, heeft de Raad van Beroep terecht opgemerkt in paragraaf 67 van de bestreden uitspraak dat een grondige analyse noodzakelijk was om de verschillende configuraties van de stralen in de tegenstrijdige ontwerpen te identificeren. In het bijzonder heeft de Raad terecht geconstateerd dat de basis vierkante structuur van de stralen nauwelijks zichtbaar was in afbeeldingen 2.2 en 2.3 van het betwiste ontwerp. Het feit dat de ster in het betwiste ontwerp stralen (of punten) heeft op zowel een driehoekige als een vierkante basis, terwijl de ster in het eerdere ontwerp D2 deze alleen op een driehoekige basis heeft, is precies een van de verschillen tussen de tegenstrijdige ontwerpen waarop appellant aandringt.
113 Hieruit volgt dat de Raad van Beroep geen juridische of beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat het betwiste ontwerp geen individueel karakter had, in de zin van artikel 6 van Verordening nr. 6/2002 , ten opzichte van het eerdere ontwerp D2.