IEF 19912

Geen inbreuk op merk- en handelsnaamrechten

Hof Amsterdam 16 maart 2021, IEF 19912; ECLI:NL:GHAMS:2021:760 (Bluefield Partners tegen BFA) Kort geding. Het geschil tussen partijen in dit kort geding is toegespitst op de vraag of BFA vanaf september 2019 inbreuk maakt op de handelsnaamrechten en/of merkrechten van Bluefield Partners, dan wel anderszins onrechtmatig handelt jegens Bluefield Partners. Bluefield Partners beschikt over de oudste rechten, uitgaande van haar handelsnamen Bluefield Partners en Bluefield Finance en de Bluefield Finance-merken. De diensten waarvoor de Bluefield Finance-merken in 2016 zijn ingeschreven, stemmen met deze activiteiten in de kern overeen. Het hof oordeelt dat de vorderingen van Bluefield Partners door de voorzieningenrechter terecht zijn afgewezen: Er zijn door Bluefield Partners geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat haar merk zoveel aantrekkingskracht, reputatie of prestige heeft dat er voor BFA voordeel is te trekken uit de merken van Bluefield Partners (kielzogvaren); ook is niet aannemelijk dat ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van de merken van Bluefield Partners.

3.5.19
Bluefield Partners bestrijdt het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat door Bluefield Partners geen stukken zijn overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat haar merk zoveel aantrekkingskracht, reputatie of prestige heeft dat er voor BFA voordeel is te trekken uit de merken van Bluefield Partners (kielzogvaren) en dat ook verder geen omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt waaruit volgt dat ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van de merken van Bluefield Partners. Het hof oordeelt dat de vorderingen van Bluefield Partners op deze grondslag terecht zijn afgewezen. Anders dan Bluefield Partners stelt, blijkt uit het in appel overgelegde overzicht van uitgaven voor marketing en sales niet dat haar merken over een bepaalde mate van bekendheid/reputatie beschikken. Daarnaast is door Bluefield Partners niet voldoende onderbouwd – gelet op de betwisting door BFA – op grond waarvan aannemelijk zou zijn dat BFA in het kielzog van de merken van Bluefield Partners probeert te varen. Evenmin is met betrekking tot de gestelde verwatering voldoende onderbouwd dat als gevolg van het bestreden gebruik door BFA het economische gedrag van het relevante publiek is gewijzigd, of dat er een grote kans is dat dit gedrag in de toekomst wijzigt. Verder zijn er geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het hof zou kunnen vaststellen dat afbreuk wordt gedaan aan de reputatie van de merken van Bluefield Partners. Grieven 3, 4 en 5 falen.

Artikel 5b Handelsnaamwet

3.5.20
Met grief 6 komt Bluefield Partners op tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter van haar op artikel 5b Handelsnaamwet gebaseerde vorderingen. Zij stelt daartoe enkel dat Blue Field Agency een handelsnaam voert die het publiek misleidt, omdat Blue Field Agency zich presenteert als ‘consultancybedrijf dat zich richt op interne processen ter verbetering van de bedrijfsvoering’, terwijl Blue Field Agency stelt een marketingbureau te zijn. Deze grief mist feitelijke grondslag en wordt verworpen. Het hof heeft hiervoor reeds geconcludeerd dat Blue Field Agency zich uitsluitend presenteert als marketingbureau.

Onrechtmatige daad

3.5.21
Met grief 7 bestrijdt Bluefield Partners het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van onrechtmatig handelen door BFA. Ook hieraan legt Bluefield Partners voornamelijk ten grondslag het door het hof reeds verworpen standpunt dat het bestreden handelsnaam- en merkgebruik van BFA tot verwarring leidt. De verwijzing door Bluefield Partners naar de blauw/grijze kleurstelling en de afbeelding van een sporter op de website, leveren geen onderbouwing op voor het gesteld onrechtmatig handelen. Grief 7 faalt.