IEF 20105

Geen afspraken over gebruik handelsnaam na overname

Vzr. Rechtbank Den Haag 20 juli 2021, IEF 20105; ECLI:NL:RBDHA:2021:7619 (Promise tegen Promise 1) Kort geding. Eiser en gedaagde hebben op dit moment allebei een kapperszaak in het centrum van Leiden waarvoor zij nagenoeg dezelfde naam gebruiken. Eiser voert de naam Promise en gedaagde voert de naam Promise 1. Voor de overname van de zaak van gedaagde door eiser werd de handelsnaam Promise al gevoerd en was de kapperszaak onderdeel van een vof met twaalf vestigingen. Beide partijen willen dat de ander de handelsnaam aanpast. De voorzieningenrechter oordeelt dat gedaagde moet stoppen met het voeren van haar huidige handelsnaam. Hierbij is onder andere van belang dat gedaagde geen houder is van van het vof-merk en dat niet is gebleken dat partijen hebben afgesproken dat eiser een andere handelsnaam zou gaan voeren. 

5.11. Omdat [gedaagde] geen houdster is van het merk van de VOF (zie rov. 3.11), kan zij zich zonder procesvolmacht van de VOF niet op inbreuk op dit merk door [eiseres] beroepen. Of het gebruik van de handelsnaam in strijd is met het merk, is dan ook een vraag die in deze procedure niet beantwoord kan worden. Het merk kan om die reden geen rol spelen bij de in dit kort geding te beantwoorden vraag of [eiseres] of [gedaagde] moet stoppen met het gebruik van de handelsnaam.

5.15. In de WhatsApp-gesprekken van november 2020, zoals overgelegd door [gedaagde] (zie rov. 3.8), wordt (voor het eerst) wel gesproken over het wijzigen van de handelsnaam door [eiseres] . Het lijkt erop dat het ook hier gaat om gesprekken van [eiseres] met de oude eigenaar, aangezien een aantal berichten met de naam [X] worden afgesloten. Maar deze gesprekken kunnen naar voorlopig oordeel evenmin aantonen dat bij de overname uitdrukkelijk is afgesproken dat [eiseres] de handelsnaam voor de kapperszaak aan de [pand1] zou veranderen. Dat [eiseres] in november 2020, als [gedaagde] al is gestart met de kapperszaak aan de [pand2] , wordt verzocht over te stappen op een andere handelsnaam, betekent immers niet dat dat verzoek wordt gedaan omdat daarover afspraken bestaan. Duidelijk is alleen dat [eiseres] op het (nog steeds) voeren van die handelsnaam voor haar kapperszaak aan de [pand1] wordt aangesproken. Een reden waarom ze de naam voor haar kapperszaak zou moeten veranderen, wordt niet vermeld. Zo bezien kunnen de reacties van [eiseres] op die berichten (“we zijn bezig” en “ok”) ook niet worden opgevat als een erkenning van al bestaande afspraken over de handelsnaam of een erkenning dat [eiseres] gehouden zou zijn de naam te veranderen.