29 jun 2026,
Kopieer citeerwijze ||
Koninklijke Philips N.V. en [gerekwestreerde 1] en [gerekwestreerde 2]
Ex parte verbod wegens inbreuk op Philips-merken en modelrecht
Rb. Den Haag 29 juni 2026, IEF 23725; ECLI:NL:RBDHA:2026:19388 (Koninklijke Philips N.V. en [gerekwestreerde 1] en [gerekwestreerde 2]). In deze zaak tussen Koninklijke Philips N.V. en [gerekwestreerde 1] en [gerekwestreerde 2] staat de gestelde inbreuk op Uniewoordmerken en een model van Philips centraal. Philips verzoekt de voorzieningenrechter om zonder voorafgaand verhoor van [gerekwestreerden] een onmiddellijk verbod op te leggen. De voorzieningenrechter acht de geldigheid van de door Philips ingeroepen rechten voorshands voldoende aannemelijk. Philips heeft daarnaast voldoende aannemelijk gemaakt dat [gerekwestreerden] inbreuk maken op deze rechten. De beschikking vermeldt niet om welke producten het precies gaat, maar verwijst naar de in het verzoekschrift omschreven inbreukmakende producten.
Volgens de voorzieningenrechter bestaat voldoende grond om het verbod zonder voorafgaand verhoor van [gerekwestreerden] toe te wijzen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter het door Philips aangevoerde spoedeisende belang en de mate waarin de gestelde inbreuk aannemelijk is gemaakt. De voorzieningenrechter beveelt [gerekwestreerden] om binnen 48 uur na betekening van de beschikking de inbreuk op de Uniewoordmerken en het model van Philips in de Europese Unie te staken en gestaakt te houden. Het verbod ziet onder meer op het laten vervaardigen, inkopen, invoeren, aanbieden, promoten, in de handel brengen, uitvoeren en anderszins verhandelen van de inbreukmakende producten en het voor deze doeleinden in voorraad houden daarvan. Aan het verbod is een dwangsom verbonden van € 5.000 voor iedere dag of ieder gedeelte van een dag dat [gerekwestreerden] het bevel overtreden, met een maximum van € 100.000. De termijn voor het instellen van de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv wordt bepaald op zes maanden na de datum van de beschikking.
aannemelijkheid van de inbreuk
☒ 2.1. Voorshands oordelend bestaat geen reden aan de geldigheid van de door verzoekster ingeroepen rechten te twijfelen en is voldoende aannemelijk gemaakt dat gerekwestreerde inbreuk op die rechten maakt, althans dat de voor artikel 194 lid 1 Rv vereiste rechtsbetrekking bestaat, om de toe te wijzen maatregelen te rechtvaardigen. Hierbij wordt opgemerkt dat dit voorlopige oordeel waar het een beslag, monsterneming en/of beschrijving betreft slechts na summier onderzoek tot stand is gekomen waarbij (in dit geval) alleen de verzoeker is gehoord. De drempel om een beslagverlof af te geven is in het algemeen relatief laag.
aannemelijkheid van de vereiste spoedeisendheid van het gevraagde bevel
☒ 2.2. Gelet op hetgeen in het verzoekschrift is aangevoerd ten aanzien van het spoedeisend belang van verzoekster en gelet op de mate van aannemelijkheid van de inbreuk, bestaat voldoende grond voor toewijzing van het gevraagde bevel tot staking van de inbreuk zonder gerekwestreerde voorafgaand te horen.