26 jun 2026,
EU-wijd ex parte verbod tegen verhandeling van Volkswagen ID.6 wegens merkinbreuk
Rb. Den Haag 26 juni 2026, IEF 23716; ECLI:NL:RBDHA:2026:19391 (verzoekster tegen gerekwestreerde). Volkswagen Aktiengesellschaft verzocht de voorzieningenrechter om een onmiddellijk verbod tegen een in Nederland gevestigde of woonachtige gerekwestreerde. Volgens Volkswagen maakte de gerekwestreerde met auto’s van het type Volkswagen ID.6 inbreuk op de in randnummer 8 van het verzoekschrift genoemde merken. Omdat de gerekwestreerde in Nederland was gevestigd of woonde, achtte de voorzieningenrechter zich bevoegd om over de gestelde inbreuk in de gehele Europese Unie te oordelen. Voorshands bestond geen reden om aan de geldigheid van de ingeroepen rechten te twijfelen en was de gestelde inbreuk voldoende aannemelijk gemaakt. Gelet op het spoedeisende belang en de mate van aannemelijkheid van de inbreuk bestond voldoende grond om het verbod toe te wijzen zonder de gerekwestreerde vooraf te horen.
De voorzieningenrechter beveelt de gerekwestreerde om binnen 24 uur na betekening van de beschikking de inbreuk op de genoemde merken in de gehele Europese Unie te staken en gestaakt te houden. De gerekwestreerde moet in het bijzonder stoppen met het invoeren, uitvoeren, aanbieden, in de handel brengen en voor die doeleinden in voorraad houden van auto’s van het type Volkswagen ID.6. Bij overtreding verbeurt de gerekwestreerde, ter keuze van Volkswagen, een dwangsom van € 100.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat in strijd met het bevel wordt gehandeld, dan wel € 85.000 voor ieder inbreukmakend product dat in strijd met het bevel wordt verhandeld, met een maximum van € 1.000.000. De termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv is bepaald op zes maanden na de datum van de beschikking. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
aannemelijkheid van de inbreuk
☒ 2.1. Voorshands oordelend bestaat geen reden aan de geldigheid van de door verzoekster ingeroepen rechten te twijfelen en is voldoende aannemelijk gemaakt dat gerekwestreerde inbreuk op die rechten maakt, althans dat de voor artikel 194 lid 1 Rv vereiste rechtsbetrekking bestaat, om de toe te wijzen maatregelen te rechtvaardigen. Hierbij wordt opgemerkt dat dit voorlopige oordeel waar het een beslag, monsterneming en/of beschrijving betreft slechts na summier onderzoek tot stand is gekomen waarbij (in dit geval) alleen de verzoeker is gehoord. De drempel om een beslagverlof af te geven is in het algemeen relatief laag.
aannemelijkheid van de vereiste spoedeisendheid van het gevraagde bevel
☒ 2.2. Gelet op hetgeen in het verzoekschrift is aangevoerd ten aanzien van het spoedeisend belang van verzoekster en gelet op de mate van aannemelijkheid van de inbreuk, bestaat voldoende grond voor toewijzing van het gevraagde bevel tot staking van de inbreuk zonder gerekwestreerde voorafgaand te horen.