IEF 19613

Ernstige ongegronde beschuldigingen in publicatie

Hof Den Haag 1 december 2020, IEF 19613; ECLI:NL:GHDHA:2020:2246 (Sabah Duitsland tegen Gemeenteraad c.s.) Onrechtmatige perspublicaties. Sabah geeft een krant uit die veel gelezen wordt door Turkse Nederlanders. In meerdere artikelen wordt het Rotterdamse oud-gemeenteraadslid Yazir in verband gebracht met de beweging van Fetullah Gülen en de als racistisch gekenschetste PVV. Door het publiceren van beschuldigingen over verraad, betrokkenheid bij terrorisme en het verraden van Turken aan de Nederlandse overheid heeft Sabah onrechtmatig gehandeld ten opzichte van Yazir en de gemeente Rotterdam. De publicaties zijn onder meer onrechtmatig omdat daarin ernstige ongegronde beschuldigingen worden geuit, die ook ingrijpende gevolgen hebben gehad voor de betrokkene. Het wordt Sabah verboden de onrechtmatige uitingen te herhalen zonder onderbouwing. Er moet een rectificatie worden geplaatst.

9.
Het beroep van Sabah op de persvrijheid en het recht van het publiek om geïnformeerd te worden, kan gelet op het voorgaande niet slagen. Niet ter discussie staat dat terrorisme, de couppoging in Turkije, de oplichting van migranten en de organisatie van vijandschap tegen Turkije belangrijke maatschappelijke kwesties zijn waarover Sabah haar publiek moet kunnen informeren. Het uiten van een reeks van lichtvaardige en voor een belangrijk deel zelfs volledig ongegronde verdachtmakingen over de betrokkenheid van Yazir bij die daden levert echter geen positieve bijdrage aan het maatschappelijk debat over die kwesties. Mede gelet daarop weegt de persvrijheid en informatievrijheid in dit geval minder zwaar dan de ernstige aantasting van het fundamentele recht van Yazir op eerbiediging van zijn goede naam. Dat Yazir mede vanwege zijn werk voor de gemeenteraad een publiek figuur is maakt dat niet anders. Weliswaar moet een publiek figuur meer kritiek dulden dan een gemiddeld persoon, maar dat gaat niet zover dat Sabah lichtvaardig een reeks van ernstige beschuldigingen over Yazir kan publiceren.

4.10.
Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de publicaties onrechtmatig zijn ten opzichte van Yazir, ook wat betreft de beschuldiging van de betrokkenheid bij terrorisme en de organisatie van vijandschap. De grieven van Yazir en de gemeente tegen het deels andersluidende oordeel van de rechtbank treffen dus doel.