IEF 18436

Eiser krijgt touwtjes in handen om billijke vergoeding af te dwingen

Rechtbank Noord-Holland 29 november 2017, IEF 18436; ECLI:NL:RBNHO:2017:9948 (Zense tegen Leskracht) Auteursrecht. Inbreuk. Eindvonnis na een eerder tussenvonnis. Tussenvonnis gaf aan wie welk auteursrecht toekwam, en gaf tevens opdracht tot overleg over een redelijke vergoeding. Op basis van de uitgangspunten van partijen kan een berekeningswijze voor de billijke vergoeding niet worden vastgesteld. Daarom wordt de zaak op een andere wijze afgedaan. Bij die afdoening is uitgangspunt dat gedaagde geen producent is en aldus in beginsel de toestemming van eiser nodig heeft om de werken te gebruiken. Door die toestemming niet te verlenen kan eiser verder gebruik van de betrokken werken verhinderen. Eiser kan aldus afdwingen dat over de omvang van de vergoeding tussen partijen op basis van redelijke uitgangspunten wordt onderhandeld.

2.7. Nu een berekeningswijze voor de billijke vergoeding niet kan worden vastgesteld op basis van de uitgangspunten van partijen wordt het volgende overwogen.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 29 maart 2017 overwogen dat de billijke vergoeding verschuldigd is met analoge toepassing van artikel 45d lid 1 Aw.

Na lezing van de genomen akten, heeft de rechtbank zich afgevraagd of haar beslissing om aan te knopen bij artikel 45d lid 1 Aw wel zo gelukkig is geweest. Die beslissing lijkt [gedaagde/eiseres] op het spoor te hebben gezet van het ontwikkelen van standpunten en berekeningen waarvan de uitkomst grenst aan het absurde en die de volgende bijzonderheden van deze zaak volledig miskennen:

  • [eiser/verweerder] heeft zich gedurende een periode van ruim 3 jaar intensief ingezet voor Leskracht en in die periode onder meer 23 films en grafische werken gemaakt voor de Spectrumbox, van welke films en artwork hij mede auteursrechthebbende is en welke films en artwork tot op de dag van vandaag door [gedaagde/eiseres] gebruikt worden in de Spectrumbox;
  • [eiser/verweerder] heeft zich in die jaren tenminste drie dagen per week volledig ingezet voor Leskracht. Indien [gedaagde/eiseres] die inzet van [eiser/verweerder] had moeten inhuren tegen een uurloon van € 35,- per uur zou dit neerkomen op een bedrag van ongeveer 

€ 100.800,-. Daarnaast heeft [eiser/verweerder] zijn film- en audioapparatuur beschikbaar gesteld voor de productie van films en het artwork. Voor de 35 draaidagen zou dit voor de opnameapparatuur alleen al een bedrag vertegenwoordigen van € 8.050,- (35 x € 230) en daarnaast zou nog een vergoeding verschuldigd zijn voor het editen ad € 3.500,-, zijnde 70 dagen editen met gebruik van de edit-suite tegen een dagtarief van € 50,-.

Het totaal aan investeringen van de zijde van [eiser/verweerder] komt daarmee op

€ 112.350,-. [eiser/verweerder] is voor zijn inspanningen en investeringen niet gecompenseerd, behalve door betaling van tijd tot tijd van een geringe onkostenvergoeding.

  • [eiser/verweerder] zou voor al zijn werkzaamheden voor Leskracht worden gecompenseerd met een belang van 22% in de onderneming van Leskracht. Daartoe zou een vennootschap onder firma worden opgericht en zou [eiser/verweerder] meedelen in de resultaten van de vennootschap (dus ook met betrekking tot de Regenboog Wereldkist). Door de verschillen van inzicht die tussen partijen zijn ontstaan is het niet tot oprichting van de vennootschap onder firma gekomen. In plaats daarvan heeft [gedaagde/eiseres] [eiser/verweerder] indertijd betaling van een bedrag van € 4.400,- aangeboden ter finale kwijting, welk aanbod [eiser/verweerder] ontoereikend heeft geacht.
  • [gedaagde/eiseres] heeft echter onvoldoende weersproken dat Leskracht nadien een vlucht genomen heeft omdat de door Leskracht gepresenteerde lesmethodes, waaronder de Spectrumbox, een vaste plek op de onderwijsmarkt hebben veroverd. 

2.8. Nu de rechtbank vooral door de wijze van procederen van [gedaagde/eiseres] niet in staat wordt gesteld een redelijke vergoeding vast te stellen, ziet de rechtbank aanleiding terug te komen op hetgeen in r.o. 4.24 van het tussenvonnis van 29 maart 2017 is overwogen en beslist en de zaak op een andere wijze af te doen. Bij die afdoening is uitgangspunt dat [gedaagde/eiseres] geen producent is en aldus in beginsel de toestemming van [eiser/verweerder] nodig heeft om de werken ten aanzien waarvan de rechtbank gedeeld auteursrecht heeft aangenomen te gebruiken. Door die toestemming niet te verlenen kan [eiser/verweerder] verder gebruik van de betrokken werken verhinderen. [eiser/verweerder] kan aldus afdwingen dat over de omvang van de vergoeding tussen partijen op basis van redelijke uitgangspunten wordt onderhandeld.