21 apr 2026,
Kopieer citeerwijze ||
Nederlandse Omroep Stichting e.a. tegen Nederland
EHRM: weigering openbaarmaking notulen over aanpak MH17-ramp schendt art. 10 EVRM niet
EHRM 21 april 2026, IEF 23768; IEFbe 4284; nr. 20066/18, ECLI:CE:ECHR:2026:0421JUD002006618 (Nederlandse Omroep Stichting e.a./Nederland). In deze zaak tussen Nederlandse Omroep Stichting, RTL Nederland en De Volkskrant enerzijds en Nederland anderzijds staat de vraag centraal of de gedeeltelijke weigering om overheidsdocumenten over de aanpak van de MH17-ramp openbaar te maken in strijd is met artikel 10 EVRM. De mediaorganisaties hadden in 2014 verzocht om documenten over de wijze waarop de Nederlandse regering de nasleep van de ramp had behandeld, waaronder de notulen van de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing en de Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing. Van de 225 aangetroffen documenten weigerde de minister er aanvankelijk 79 geheel openbaar te maken; andere documenten werden geheel of gedeeltelijk verstrekt. De minister baseerde de weigering onder meer op het belang van vertrouwelijke en onbelemmerde beraadslaging binnen de crisiscommissies, de bescherming van persoonsgegevens, internationale betrekkingen en de veiligheid van Nederlands personeel in het rampgebied. In de daaropvolgende procedures werden nog aanvullende documenten openbaar gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde uiteindelijk dat bij de resterende documenten de belangen die zich tegen openbaarmaking verzetten zwaarder wogen dan het belang bij openbaarmaking.
Het EHRM hecht veel gewicht aan de procedurele waarborgen waarover de mediaorganisaties beschikten. De Nederlandse rechter kon de niet-geanonimiseerde en niet-openbaar gemaakte stukken zelf beoordelen en in een procedure op tegenspraak toetsen of de minister aan het nationale recht en het EVRM had voldaan. Volgens het Hof gaat de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) bovendien uit van het uitgangspunt dat overheidsinformatie in beginsel voor iedereen toegankelijk is, terwijl de wet specifieke uitzonderingsgronden bevat. Dergelijke beperkingen kunnen volgens het Hof in beginsel noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Voor de notulen van de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing acht het EHRM van belang dat de minister uitvoerig had gemotiveerd waarom vertrouwelijkheid noodzakelijk was. De commissieleden moesten vrijelijk en vertrouwelijk argumenten kunnen uitwisselen en de vertrouwelijkheid hing samen met de constitutionele taak van het kabinet om de eenheid van het regeringsbeleid te bevorderen. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak had zelfstandig en uitvoerig gemotiveerd waarom artikel 10 EVRM niet was geschonden. Gelet op deze procedurele waarborgen waren de aangevoerde redenen volgens het Hof relevant en voldoende. Ten aanzien van de overige documenten benadrukt het EHRM dat degene die om toegang tot overheidsinformatie verzoekt, het doel van dat verzoek voldoende moet onderbouwen. De mediaorganisaties hadden dat volgens het Hof onvoldoende gedaan. Hun journalistieke hoedanigheid en de grote maatschappelijke betekenis van de MH17-ramp gaven hun bovendien niet zonder meer recht op volledige toegang tot alle gevraagde informatie. De nationale autoriteiten hadden de relevante belangen overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM afgewogen. Het Hof zag daarom geen zwaarwegende reden om die beoordeling door zijn eigen oordeel te vervangen. Het EHRM oordeelt unaniem dat artikel 10 EVRM niet is geschonden. De gedeeltelijke weigering was voldoende gemotiveerd, met adequate procedurele waarborgen omkleed en bleef binnen de beoordelingsruimte van de Nederlandse autoriteiten.
Conclusion
113. In view of the above, the Court considers that in assessing the circumstances submitted for their evaluation, the Minister and the Administrative Jurisdiction Division gave due consideration to the principles and criteria laid down in the Court's case-law regarding the balancing of interests when faced with a request for the disclosure of State-held information. In doing so, particular weight was attached to the confidentiality of internal deliberations and preliminary decision-making in meetings of the Cabinet and its sub-committees. In the light of the information in the case file and the parties' submissions, the Court discerns no strong reasons which would require it to substitute its view for that of the domestic authorities and to set aside the balancing exercise undertaken by them (see also Šeks, § 72; Saure, § 57; and Saure (No. 2), § 61, all cited above; see also Satakunnan Markkinapörssi Oy and Satamedia Oy v. Finland [GC], no. 931/13, §§ 196 and 198, 27 June 2017). It is satisfied that the reasons relied upon for the partial non-disclosure of the requested documents were both relevant and sufficient to demonstrate that the interference complained of was “necessary in a democratic society”. The authorities of the respondent State acted within their margin of appreciation when striking a fair balance between the competing interests at stake.
114. The Court therefore concludes that there has been no violation of Article 10 of the Convention.