IEF 18381

De praktijk wijst uit dat het horen van meer dan vijf getuigen doorgaans geen redelijk doel dient

Rechtbank Den Haag 7 november 2018, IEF 18381; ECLI:NL:RBDHA:2018:13079 (Unilever tegen Ablynx) Procesrecht. Verzoek voorlopig getuigenverhoor. Ablynx verzoekt als voormalig licentiehouder de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Nu Ablynx bewijs wenst te verzamelen omtrent relevante feiten en omstandigheden die - wanneer bevestigd - leiden tot een vordering van Ablynx op Unilever, wordt het verzoek toegewezen. Wel wordt het verzoek slechts toegewezen voor zover dit proportioneel is. Het horen van minimaal 24 getuigen zoals verzocht legt een disproportioneel beslag op de tijd en daarmee op de belangen van Unilever, en brengt bovendien disproportioneel hoge kosten met zich mee. Het aantal voor te dragen getuigen zal dus worden beperkt tot vijf.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de feiten en omstandigheden waarover Ablynx bewijs wenst te verzamelen (zie 3.2) relevant in die zin dat zij tot een beslissing in een bodemprocedure kunnen leiden. Ablynx kan immers slechts met succes schadevergoeding vorderen wegens inbreuk op haar licentie (en VUB wegens inbreuk op haar octrooirechten) dan wel wegens onrechtmatig handelen door het faciliteren van octrooi-inbreuk elders, wanneer duidelijkheid bestaat over zowel het eventuele onrechtmatig handelen door Unilever c.s. als de omvang daarvan. Het betoog van Unilever c.s. dat Ablynx geen geloofwaardige vorderingen tegen Unilever c.s. heeft aangevoerd die kunnen worden bewezen door feiten die naar voren zouden kunnen komen uit de voorlopige getuigenverhoren (verweerschrift sub 80), wordt verworpen. Ablynx heeft haar vermoeden van inbreuk door Unilever c.s. door beschikbaarstelling van geoctrooieerde technologie aan VHsquared voldoende toegelicht. Daartoe heeft zij onder meer gewezen op de vaststelling in het arrest (in 4.17; weergegeven in r.o. 2.11) dat Unilever in Nederland inbreuk heeft gemaakt op de Hamers-octrooien, althans op EP 013, door in Nederland geproduceerde nanobodies ter beschikking te stellen voor het in Bangladesh en India uitgevoerde onderzoek welke beschikbaarstelling – naar thans vaststaat – buiten de licentie van Unilever c.s. viel, terwijl Unilever c.s. destijds in de veronderstelling verkeerde dat zij daartoe gerechtigd was. Ook heeft Ablynx ter onderbouwing van haar vermoeden erop gewezen dat VHsquared fase II studies is gestart, zodat duidelijk is dat zij zich (mede) richt op de ontwikkeling van geneesmiddelen, dat wil zeggen producten die niet behoren tot de Gereserveerde Sector en dat Ablynx nauw betrokken was bij de oprichting van VHsquared. Het horen van getuigen ter staving van het vermoeden dat Unilever c.s. gedurende de looptijd van de Hamers-octrooien mogelijk nanobodies, althans geoctrooieerde (en naar de rechtbank begrijpt buiten haar licentie vallende) technologie, aan VHsquared ter beschikking heeft gesteld, kan dan ook, wanneer bevestigd, leiden tot een vordering op Unilever c.s..
De stellingen die Ablynx wil bewijzen zijn door Unilever c.s. bovendien betwist.

4.6. Ook wanneer het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, kan een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor echter, volgens vaste rechtspraak, worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (art. 3:13 BW), op de grond dat het verzoek strijdig is met een goede procesorde en op de grond dat het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Voorts bestaat geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (art. 3:303 BW).4 De afwijzingsgronden zijn niet altijd scherp van elkaar te scheiden5.

4.13. De rechtbank is van oordeel dat het horen van ten minste 24 getuigen (waarvan slechts drie woonachtig zijn in Nederland), zoals door Ablynx verzocht, een disproportioneel beslag zal leggen op de tijd en daarmee op de belangen van Unilever c.s. en bovendien disproportioneel hoge kosten met zich mee zal brengen. Dit grote aantal kan, gelet op de wederzijdse belangen, strijd met de goede procesorde opleveren. Daar komt bij dat de praktijk uitwijst dat met het horen van meer dan vijf getuigen doorgaans geen redelijk doel wordt gediend. De rechtbank zal het aantal in eerste instantie te horen getuigen dan ook beperken zoals hierna te melden.

4.15. De rechtbank zal het aantal door Ablynx voorgedragen getuigen in eerste instantie beperken tot vijf. Mocht Ablynx na het verhoor van deze getuigen van mening zijn dat het horen van nog enkele aanvullende getuigen noodzakelijk is, dan dient zij dit schriftelijk en gemotiveerd aan de griffier, met afschrift aan de wederpartij, mede te delen. De griffier zal dit verzoek ter beslissing aan de rechter-commissaris voorleggen.