19 mei 2026,
Databankrecht na actualisering bestaande databank beperkt tot aangebrachte wijzigingen
Gerechtshof Den Haag 19 mei 2026, IEF 23781; ECLI:NL:GHDHA:2026:2739 (JD Knowledge tegen Portbase). In deze zaak staat centraal welke databankrechten JD Knowledge (JDK) heeft op digitale lijsten met informatie over het vervoer van gevaarlijke stoffen en of Havenbedrijf Rotterdam (HbR) en Portbase daarop inbreuk hebben gemaakt. De GDS-lijsten waren oorspronkelijk ontwikkeld en bijgehouden door GDS. Na het faillissement van GDS in 2016 zette JD Holding (JDH) de dienstverlening voort en sloot zij met HbR een overeenkomst voor de levering van geactualiseerde digitale informatie. De daaruit voortvloeiende contractuele en IE-rechten zijn later aan JDK overgedragen. Vaststaat echter dat de oorspronkelijke databankrechten van GDS niet uit de faillissementsboedel aan JDH en vervolgens JDK zijn overgedragen. JDK stelt dat HbR in strijd met de overeenkomst de GDS-lijsten aan Portbase beschikbaar heeft gesteld en dat Portbase databankinbreuk heeft gemaakt door gegevens via haar Port Community System aan derden beschikbaar te stellen. De rechtbank wees de vorderingen tegen HbR af, maar oordeelde dat Portbase wel inbreuk had gemaakt.
Het hof oordeelt wat de contractuele grondslag betreft dat HbR de lijsten aan Portbase mocht blijven verstrekken. Portbase had onder de overeenkomst uit 2005 al een gebruiksrecht en uit de omstandigheden rond de doorstart in 2016 mochten HbR en Portbase redelijkerwijs begrijpen dat dit gebruiksrecht zou blijven bestaan. Dat de overeenkomst uit 2016 een entire agreement clause bevat, staat er niet zonder meer aan in de weg dat voor de uitleg ook betekenis wordt toegekend aan eerdere verklaringen en gedragingen van partijen. HbR is daarom niet tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Voor het databankenrecht oordeelt het hof dat JDK door de na 2016 verrichte investeringen uitsluitend een databankrecht heeft kunnen verkrijgen op de inhoudelijke wijzigingen die als gevolg van die investeringen in de bestaande GDS-lijsten zijn aangebracht. Dat recht strekt zich niet uit tot het ongewijzigde gedeelte van de oorspronkelijk door GDS aangelegde databank, ook niet wanneer substantieel is geïnvesteerd in de controle van die bestaande gegevens. Het hof acht wel voldoende onderbouwd dat vanaf ten minste 1 januari 2017 kwalitatief en kwantitatief substantieel is geïnvesteerd in de controle en verkrijging van de wijzigingen. JDK heeft echter onvoldoende geconcretiseerd welke beschermde wijzigingen uit de IMDG- en IBC-lijsten via PCS door derden zijn opgevraagd of hergebruikt. Daardoor kan evenmin worden vastgesteld dat sprake was van het opvragen of hergebruiken van een kwalitatief of kwantitatief substantieel deel van de beschermde databank. Ook heeft JDK onvoldoende onderbouwd dat het handelen van Portbase het risico meebracht dat zij haar investering niet via de normale exploitatie van de databank kon terugverdienen. Degestelde databankinbreuk door Portbase komt daarom niet vast te staan. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van JDK tegen zowel HbR als Portbase af. JDK wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het exhibitie-incident en de hoofdzaak in beide instanties. Het hof past daarbij het indicatietarief voor een complexe IE-zaak toe en begroot de kosten aan de zijde van HbR en Portbase telkens op € 93.000 aan salaris advocaat, € 11.379 aan griffierecht en € 189 aan nasalaris, te vermeerderen met een eventueel aanvullend nasalaris en wettelijke rente.
6.43. De gestelde databankrechtinbreuken zijn in deze procedure dus niet komen vast te staan en de daarop gebaseerde vorderingen zijn niet toewijsbaar. Daarmee behoeft het debat omtrent de duur van het gebruik door Portbase, de beweerde schadeomvang en het beroep op de exceptie van art. 5 lid 1 sub c Dw geen bespreking meer.