IEF 20045

Conclusie P-G in Uitgeverijen tegen Snappet

HR Conclusie P-G Van Peursem 25 juni 2021, IEF 20045; 19/04851 (Uitgeverijen tegen Snappet) Deze auteursrechtzaak gaat over de vraag of het lesmateriaal van Snappet inbreuk maakt op de Leerroutes van educatieve uitgeverijen en vertoont trekken van een reprise van het standaardarrest Heertje/Hollebrand4 over Economie-schoolboeken. Rechtbank en hof oordelen dat van inbreuk geen sprake is. Centraal staat daarbij dat ideeën, didactiek en lesmethodes op zichzelf niet  auteursrechtelijk te beschermen zijn en vrij moeten lopen. Het hof vindt de hier centraal staande Leerroutes van de Uitgeverijen wel (net) over de auteursrechtelijke werkdrempel komen, maar acht de beschermingsomvang gering en oordeelt dat het lesmateriaal van Snappet geen inbreuk maakt. Weliswaar zijn de Leerroutes geconcretiseerd in de betreffende lesmaterialen van de Uitgeverijen, maar er zal niet snel sprake zijn van inbreuk op de onderscheiden werken (alleen al) omdat in het Snappet-lesmateriaal elementen aansluiten op de betreffende methode en daar oefenmateriaal voor zijn. De beschermingsomvang is derhalve niet groot bij dergelijke werken.

Volgens het hof hebben de punten van overeenstemming betrekking op niet beschermde elementen in de Leerroutes en is de overeenstemming op het wel beschermde niveau van de concrete opgaven (te) gering (om tot inbreuk te kunnen oordelen). Een groot deel van de gemaakte keuzes zijn niet creatief in auteursrechtelijke zin, maar worden didactisch bepaald of zijn banaal en triviaal, aldus het Haagse hof. In cassatie wordt hier volgens mij tevergeefs tegen opgekomen met klachten over de oordelen over de auteursrechtelijke bescherming van verschillende elementen van de Leerroutes. Het auteursrecht mag geen belemmering vormen voor het navolgen van een didactische methode. Dat is in wezen het auteursrechtelijke Leitmotiv in deze zaak. Dat vergt een in hoge mate feitelijke beoordeling, die in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Ook de klachten die zien op de niet-ontvankelijkverklaring van GEU (art. 3:305a BW), het oordeel dat keuzes niet auteursrechtelijk beschermd worden voor zover ze louter een didactisch doel dienen of te zeer het resultaat zijn van een door een te behalen didactisch doel beperkte keuze, het oordeel dat de  beschermingsomvang van de Leerroutes beperkt is nu de combinatie wordt gevormd door één auteursrechtelijk beschermd element en drie  onbeschermde elementen, en de klachten over het hanteren van de totaalindrukken-maatstaf voor de beoordeling van de inbreukvraag, kunnen volgens de P-G niet tot cassatie leiden (al is over dat laatste wel twijfel mogelijk). De klachten van het deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ziet de P-G evenmin slagen.

3.21 Deze klachten zijn volgens mij tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft geoordeeld dat GEU niet ontvankelijk is vanwege het niet kunnen nemen van de gelijksoortigheidsdrempel, hiervoor besproken in 3.16. Daarbij heeft het hof in rov. 5.2 uitdrukkelijk onder ogen gezien dat de belangen van de leden van GEU zich moeten lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van deze leden kan worden bevorderd. De juiste maatstaf is daarmee niet miskend en daar stuit de rechtsklacht al op af. De inhoudelijke beoordeling is vervolgens hoofdzakelijk feitelijk. Naar het oordeel van het hof zijn de belangen van de GEU-leden in onze zaak onvoldoende geschikt voor bundeling en ontbreekt een voldoende efficiëntie- en effectieve rechtsbeschermingbelang voor hen. Het hof motiveert dit met zijn visie dat om te kunnen beoordelen of sprake is van
inbreuk en onrechtmatig handelen van Snappet telkens een individuele vergelijking moet worden gemaakt tussen de specifieke leerroutes van de betreffende individuele GEU-leden en het betreffende aangevallen werk van Snappet dat daarop  aansluit/daarvoor oefenmateriaal verschaft en dat een eventuele inbreuk op één werk nog geen inbreuk op een ander werk betekent. Daar lijkt mij veel voor te zeggen en ik acht dat in deze zaak niet onbegrijpelijk, onder meer gelet op de complexiteit  van de in het geding zijnde samengestelde werken. Het gaat telkens om individuele vergelijkingen van afzonderlijke werken en beweerdelijke inbreuken daarop door Snappet, de educatieve uitgaven zijn met andere woorden niet zo maar over één kam te scheren, omdat de betreffende leerroutes en beweerdelijke inbreuken daarop niet identiek zijn. Dat valt ook al volgt op te  vatten: kennelijk zou dat in de ogen van het hof teveel abstraheren van de bijzonderheden van de individuele werken van de betreffende GEU-leden, een volgens mij feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel langs de juiste rechtsmeetlat. De in de klacht aangevoerde omstandigheden maken dit niet anders.