IEF 17886

Conclusie AG: Belang van geheimhouding door Syngenta minder zwaar dan recht op inzage

Conclusie AG HR 6 juli 2018, IEF 17886; ECLI:NL:PHR:2018:829 (Syngenta tegen verweerder) Syngenta houdt zich onder meer bezig met de ontwikkeling en verkoop van diverse groenterassen. Zij laat de haar in eigendom toebehorende planten eerst opkweken op Plantenkwekerij A. Verweerster verzorgt uitsluitend groentegewassen die eigendom zijn van Syngenta, nadat Syngenta deze door een vervoerder van A naar verweerster heeft laten vervoeren. Er zijn besmettingen geconstateerd. Syngenta stelt dat bron van besmetting bij verweerder ligt en wil de overeenkomst opzeggen. Verweerder stelt dat bron van besmetting bij A ligt en verzoekt om inzage van de resultaten. Aan het verzoek heeft Syngenta niet voldaan. Verweerder heeft bij rechtbank verzocht om een voorlopig getuigenverhoor over wat is besproken tussen Syngenta en A. De rechtbank heeft bij een beschikking voorlopig geruigenverhoor gelast. Daartegen is Syngenta in hoger beroep gegaan. Het hof heeft de bestreden beschikking vernietigd en Syngenta veroordeeld om onder andere de onderzoeksverslagen te verstrekken. Syngenta heeft tegen deze beschikking cassatie ingediend. Het belang van geheimhouding van Syngenta weegt minder zwaar dan het belang van verweerder bij verstrekking van genoemde stukken. Er is dus geen sprake van gewichtige reden die zich tegen inzage verzet. Conclusie AG: cassatieberoep dient verworpen te worden.

 

2.64 In het hiervoor geciteerde oordeel ligt besloten dat het hof de vereiste belangenafweging heeft verricht, en tot de slotsom is gekomen dat het belang van geheimhouding waarop Syngenta een beroep heeft gedaan minder zwaarder weegt dan het belang van [verweerster] bij verstrekking van de in rov. 3.13 genoemde stukken en dat er derhalve geen sprake is van een gewichtige reden die zich tegen inzage verzet (behalve voor zover het gaat om overleg met haar advocaat). Anders dan het subonderdeel lijkt te veronderstellen, staat een zwaarwegend belang niet per definitie in de weg aan het recht op inzage. Het oordeel van het hof geeft aldus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.78 Op grond van art. 843a lid 4 Rv kan inzage worden geweigerd indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Onder 2.18 van deze conclusie heb ik uit de memorie van toelichting op het vierde lid geciteerd. Daaruit blijkt onder meer dat de wetgever voor ogen stond dat er geen goede grond voor een exhibitieplicht is indien productie van bewijsmiddelen uit oogpunt van een behoorlijke rechtsbedeling kan worden gemist, dat onder omstandigheden redenen die zijn aangevoerd tegen een verplichting tot verstrekking van stukken minder zwaar zullen wegen dan de eisen van een behoorlijke rechtsbedeling en dat het hierbij in beginsel erop aankomt of een partij een onredelijk (of: ‘unfair’) voordeel geniet, of haar wederpartij een dito nadeel lijdt doordat een bepaald (bewijs)-stuk in de procedure niet (als bewijsmiddel) beschikbaar komt.

Voorts is in de toelichting opgemerkt dat in het algemeen zal kunnen worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook is gewaarborgd indien bewijs van de onderwerpelijke feiten redelijkerwijs ook langs andere weg, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, kan worden verkregen, maar dat dat onder omstandigheden anders kan zijn.

2.79 Uit deze laatste passage kan evenwel niet worden afgeleid dat als de mogelijkheid bestaat om bewijs langs andere weg te krijgen, het een gegeven is dat de behoorlijke rechtsbedeling ook zonder de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Ik verwijs in dit verband naar het arrest van 29 september 2017104 waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat uitgangspunt is dat de slotzinsnede van art. 843a lid 4 Rv, bepalende dat een exhibitievordering niet toewijsbaar is ‘indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd’, in het licht van de omstandigheden van het geval en met inachtneming van de belangen van de betrokken partijen moet worden toegepast. Daarbij kan volgens de Hoge Raad onder meer gewicht toekomen aan de omstandigheid dat een andere wijze van vergaring van bewijs bezwaarlijker of minder effectief kan zijn dan de gevraagde inzage in of afgifte van bescheiden. Het gaat er immers blijkens de desbetreffende zinsnede van het vierde lid om dat een behoorlijke rechtsbedeling gewaarborgd is. Daarom ligt in art. 843a lid 4 Rv niet in haar algemeenheid de eis besloten dat een vordering tot inzage in of afgifte van bescheiden slechts toewijsbaar is indien andere mogelijkheden om bewijs te vergaren zijn uitgeput of afwezig zijn, aldus de Hoge Raad.

2.86 Overigens kwam de bepaling dat geen recht op inzage bestaat als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook is gewaarborgd zonder verstrekking van de gevraagde gegevens, in wetsvoorstel 33 079 niet meer voor109. Ditzelfde geldt voor het wetsvoorstel modernisering bewijsrecht. In de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel is opgemerkt dat het inzagerecht niet langer fungeert als een soort ultimum remedium, zoals nu wordt gesuggereerd door art. 843a, vierde lid en dat het inzagerecht een goedkoop, eenvoudig, snel en betrouwbaar alternatief vormt voor bijvoorbeeld een tijdrovend getuigenverhoor of een kostbaar deskundigenbericht110.

2.87 Nu alle onderdelen falen, dient het cassatieberoep te worden verworpen.