IEF 19546

Conclusie A-G Van Peursem inzake Hennessy tegen LB11

HR Conclusie A-G 30 oktober 2020, IEF 19546; ECLI:NL:PHR:2020:1011 (Hennessy tegen LB11) Is er sprake van uitputting van de merkrechten van Hennessy c.s. van door hen in de EER verkochte en onder douanestatus T2 (dus goederen met een communautaire status) geleverde producten, die bestemd waren voor de Afrikaanse markt en daartoe zijn geleverd aan tussenpersonenkopers gevestigd buiten de EER, maar vervolgens onder opvolgende verkrijger LB11 zijn beslagen, die deze producten binnen de EER verhandelt?

Voorzieningenrechter, [IEF 16934] en hof, [IEF 18443], oordelen dat de merkrechten hier zijn uitgeput. Een kernvraag in deze zaak is of dat juist is. Hebben de merkhouders in zo’n geval hun wezenlijke recht om de eerste verhandeling van de waren in de EER te controleren wel (materieel) uitgeoefend en zijn zij in staat geweest om de economische waarde van hun merken te realiseren in de zin van het Peak Holding-arrest? Met andere woorden: moet de economische waarde uit Peak Holding worden opgevat als ‘EER-waarde’, zoals de merkhouders betogen, en/of is het oogmerk van de verkopende merkhouder (afzet in of buiten de EER) daarbij van belang? Volgens A-G Van Peursem is dit nog niet met zoveel woorden uitgemaakt in Peak Holding of opvolgende arresten. Hierover kan een prejudiciële vraag worden gesteld. Een tweede punt in cassatie is het vertrouwelijkheidregime voor bedrijfsgeheimen van art. 1019ib Rv. De klachten dat het hof dit hier onjuist – want ambtshalve – heeft toegepast lijken deels terecht voorgesteld. In het incidenteel cassatieberoep wordt volgens de A-G terecht een punt gemaakt van de wijze waarop de tweeconclusieregel is toegepast. De overige onvoorwaardelijke klachten in het incidentele cassatieberoep, die gaan over een procedurele kwestie naar aanleiding van een productie, of overgelegde facturen onrechtmatig zijn verkregen en over de bewijsregel uit Van Doren/Lifestyle, kunnen niet tot cassatie leiden. Dat geldt ook voor de voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieklachten.

3.13
(...) Voor zover het hof van oordeel is dat de aan prod. 87 verbonden stellingen geen verandering of vermeerdering van de feitelijke grondslag van de eis zijn, omdat Hennessy c.s. tijdig hebben gesteld ‘dat LB11 inbreuk pleegt of heeft gepleegd op de Hennessy-merken door zonder toestemming van Hennessy c.s. binnen de EU (niet-uitgeputte) Hennessy-producten op voorraad te houden, in te voeren, te verhandelen en uit te voeren’ en de facturen een nadere onderbouwing van die stelling zijn, is dat oordeel niet te volgen. De geciteerde algemene stelling behelst de juridische grondslag van de eis van Hennessy c.s. en niet de feitelijke grondslag daarvan.

Voor zover het hof van oordeel is dat deze algemene stelling wél de feitelijke grondslag van de eis behelst is dat oordeel, zonder nadere motivering die ontbreekt, volgens mij onbegrijpelijk. De stelling sec ziet immers niet op concrete merkinbreuken en bevat in zoverre geen feitelijk verwijt.

Afbeelding: Pexels, Pixabay.