IEF 19712

Conclusie A-G in Mircom tegen Telenet

HvJ EU Conclusie A-G 17 december 2020, IEF 19712, IT 3381, IEFbe 3173; ECLI:EU:C:2020:1063 (Mircom tegen Telenet BVBA) Verzoek om een prejudiciële beslissing van de ondernemingsrechtbank Antwerpen. Richtlijn 2001/29/EG, artikel 3, lid 1. Begrip ‚mededeling aan het publiek’. Downloaden van een bestand met een beschermd werk via een peer-to-peernetwerk en gelijktijdige terbeschikkingstelling van de onderdelen van dat bestand ter upload voor andere gebruikers.
Antwoorden van A-G Szpunar:

„1)      Artikel 3 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij dient aldus te worden uitgelegd dat het in het kader van een peer-to-peernetwerk ter upload beschikbaar stellen van de onderdelen van een bestand met een beschermd werk onder het recht van beschikbaarstelling voor het publiek in de zin van dat artikel valt, zelfs voordat de betrokken gebruiker zelf het gehele bestand heeft gedownload en zonder dat het beslissend is of die gebruiker met kennis van zaken heeft gehandeld.

2)      Artikel 4, onder b), van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten dient aldus te worden uitgelegd dat een entiteit die weliswaar bepaalde rechten op beschermde werken heeft verworven, doch deze niet exploiteert maar enkel schadevergoeding vordert van personen die inbreuk maken op die rechten, niet bevoegd is om gebruik te maken van de in hoofdstuk II van die richtlijn bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen, voor zover de bevoegde rechter vaststelt dat de verwerving van de rechten door die entiteit louter tot doel had die bevoegdheid te verkrijgen. Richtlijn 2004/48 vereist niet – doch verzet zich er evenmin tegen – dat een lidstaat in zijn nationale recht die bevoegdheid toekent aan een cessionaris van schuldvorderingen die verband houden met inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten.

3)      Artikel 8, lid 1, van richtlijn 2004/48, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, ervan, dient aldus te worden uitgelegd dat de nationale rechter de toekenning van het in artikel 8 van die richtlijn bedoelde recht op informatie dient te weigeren wanneer hij in het licht van de omstandigheden van het geding vaststelt dat het verzoek om informatie ongerechtvaardigd is of misbruik uitmaakt.

4)      Artikel 6, lid 1, onder f), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) dient aldus te worden uitgelegd dat het registreren van de IP-adressen van de personen wier internetverbindingen zijn gebruikt om beschermde werken te delen op peer-to-peernetwerken, een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens vormt wanneer die registratie wordt verricht teneinde een gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde te behartigen, met name met het oog op de indiening van een gerechtvaardigd verzoek, krachtens artikel 8, lid 1, onder c), van richtlijn 2004/48, om bekendmaking van de namen van de houders van de internetverbindingen die via de IP-adressen zijn geïdentificeerd.”

Prejudiciële vragen:

„1)      a)      Kan het downloaden van een bestand via een peer-to-peernetwerk en tegelijk onderdelen (‚pieces’) ervan (soms zeer fragmentarisch ten opzichte van het geheel) ter upload ter beschikking stellen (‚seeden’), worden beschouwd als een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, ook al zijn deze individuele pieces op zichzelf onbruikbaar?

Zo ja,
b)      bestaat er een de-minimisdrempel opdat de seeding van deze pieces een mededeling aan het publiek zou uitmaken?
c)      is de omstandigheid dat de seeding automatisch (ten gevolge van de instellingen van de torrent client) en daarom onbewust voor de gebruiker kan gebeuren relevant?

2)      a)      Kan de persoon die contractueel houder is van auteursrechten (of naburige rechten), doch deze rechten niet zelf exploiteert maar enkel een schadevergoeding vordert van vermeende inbreukplegers – en waarvan het economische verdienmodel dus afhangt van het bestaan van piraterij in plaats van deze te bekampen – dezelfde rechten genieten die hoofdstuk II van richtlijn 2004/48 toekent aan de auteurs of licentiehouders die wel auteursrechten op een normale wijze exploiteren?
b)      Hoe kan deze licentiehouder in dit geval ‚schade’ (in de zin van artikel 13 van richtlijn 2004/48) hebben geleden door de inbreuk?

3)      Zijn de concrete omstandigheden uiteengezet in vragen 1 en 2 relevant in het kader van de beoordeling van de afweging van het juiste evenwicht tussen enerzijds de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, en anderzijds de rechten en vrijheden gewaarborgd door het [Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‚Handvest’)], zoals de eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens, in het bijzonder in het kader van de beoordeling van de proportionaliteit?

4)      Is in al deze omstandigheden het systematisch registreren, en verder algemeen verwerken van de IP‑adressen van een swarm aan seeders (door de licentiehouder zelf, en door een derde, in opdracht ervan) gerechtvaardigd onder [verordening 2016/679], meer bepaald onder artikel 6, lid 1, onder f), ervan?”