IEF 19341

Conclusie A-G in Eiser tegen Het Parool

Parket bij de HR 26 juni 2020, IEF 19341; ECLI:NL:PHR:2020:652 (Eiser tegen Het Parool) Mediarecht. In publicaties uit 2016 van Het Parool staat dat de gemeente Amsterdam en de politie onzorgvuldig hebben gescreend, omdat de kopers van een pand waar iemand onderdook, een link zouden hebben met de ondergedokene. Deze kopers zijn de eisers in deze zaak. Zij stellen dat twee van de publicaties onrechtmatig zijn jegens hen. De rechtbank oordeelt dat beide publicaties niet onrechtmatig zijn en het hof oordeelt dat er één onrechtmatig is. In cassatie voeren eisers onder meer aan dat bij de beoordeling of sprake is van een onrechtmatige daad niet mag worden volstaan met een beoordeling of het artikel voldoende steun vindt in het feitenmateriaal, maar dat ook moet worden beoordeeld wat het artikel suggereert en wat er dus blijft hangen bij de gemiddelde lezer die met gemiddelde aandacht van het artikel kennis neemt, gezien de veranderende impact van de publicaties sinds de komst van het internet. De A-G wijst in deze context op de jurisprudentie van het EHRM over het belang van de functie van de archieven van de pers, omdat die een belangrijke bijdrage leveren aan het bewaren en beschikbaar maken van nieuws en informatie. Daarnaast is er in deze zaak sprake van een botsing tussen twee fundamentele rechten: recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Eisers klagen dat het hof deze botsing heeft miskend. Deze klacht kan niet slagen, omdat het hof alle wederzijdse af te wegen belangen heeft genoemd. Ook klagen eisers dat het hof miskent dat de onrechtmatige daad niet zozeer is gelegen in de schending van de privacy, maar in de schending van de eer en goede naam in de vorm van reputatieschade. Ook deze klacht heeft volgens de A-G geen kans van slagen, omdat de privacyvraag bestaat uit twee aspecten, waaronder het recht op eer en goede naam. Ook de andere onderdelen falen, waardoor de conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2.8. Het hof heeft bij zijn beoordeling kennelijk de maatstaf van het zogenoemde Gemeenteraadslidarrest voor ogen gehad, waar in rov. 3.4 voor zover van belang het volgende is overwogen:
“Bij de hier aan de orde zijnde vraag staan in beginsel twee, ieder voor zich hoogwaardige, maatschappelijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat individuele burgers niet door publikaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen; aan de andere kant het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan dankzij het onvermogen van de verantwoordelijke overheidsorganen om in een gecompliceerde maatschappij als die waarin wij leven gelijkelijk aandacht te geven aan alle zaken die die aandacht verdienen, nog daargelaten de mogelijkheid van andere factoren die belemmerend kunnen werken op het doen beëindigen van een bepaalde misstand. Welk van deze belangen in een gegeven geval de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden, en wel — in een situatie als de onderhavige — in het bijzonder van de volgende:
a) de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben;
b) de ernst — bezien vanuit het algemeen belang — van de misstand welke de publikatie aan de kaak beoogt te stellen;
c) de mate waarin ten tijde van de publikatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;
d) de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a. t/m c. bedoelde factoren;
e) de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publikatie via de pers, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden;
f) een mogelijke beperking van het door de perspublikatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het betreffende stuk, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen.” Nadien is de maatstaf van dit arrest vaste jurisprudentie geworden. De belangen die centraal staan in dit Gemeenteraadslidarrest worden ook beschermd door art. 8 en 10 EVRM. Bij de beoordeling door het EHRM van conflicten tussen enerzijds de vrijheid van meningsuiting en anderzijds de bescherming van de (privacy van) persoon op wie de uitlatingen betrekking hebben, zijn verschillende gezichtspunten van belang. De gezichtspunten die aldus het EHRM een rol kunnen spelen zijn:
- de bijdrage van de publicatie aan het publieke debat;
- de mate van bekendheid van de betrokken persoon;
- het onderwerp van het nieuwsbericht;
- het eerdere gedrag van de betrokken persoon;
- de inhoud, vorm en gevolgen van de publicatie;
- de wijze waarop de informatie is verkregen en de juistheid daarvan;
- de zwaarte van de aan de journalisten of uitgevers opgelegde maatregelen. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval kunnen bepaalde criteria meer of minder relevant zijn.

2.9. Uit het vorenstaande blijkt dat het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting in 3.4. Het hof heeft de wederzijdse af te wegen belangen benoemd. Anders dan het onderdeel veronderstelt, heeft het hof geen ‘tweefasentoets’ aangelegd, waarbij eerst wordt bepaald welk recht zwaarder weegt en vervolgens een beoordeling van de noodzakelijkheidstoets plaatsvindt. Evenmin gaat het hof uit van de rechtsopvatting dat voorrang toekomt aan het recht op vrijheid van meningsuiting. Bovendien gaat ook [eisers] in de inleidende dagvaarding onder 33 en 34 uit van – bijna hetzelfde – juridische kader. Het onderdeel slaagt dan ook niet.