IEF 19896

Conclusie A-G: geen verwarring tussen H&M kleding en Adidas strepen

HR Conclusie A-G 12 maart 2021, IEF 19896; ECLI:NL:PHR:2021:244 (Adidas tegen H&M) [Vervolg op IEF 18980]. H&M bood in 1997 fitness-kleding aan met twee strepen die, net als de merken van Adidas, zijn gepositioneerd op de mouwen en de broekspijpen van sportkleding. Adidas is daartegen in kort geding opgekomen. Die procedure heeft alles bij elkaar 18 jaar geduurd. Eind 2015 oordeelde het hof Arnhem-Leeuwarden, na verwijzing door de Hoge Raad, dat H&M inbreukmakend heeft gehandeld. Adidas heeft vervolgens tegen H&M de onderhavige bodemprocedure aangespannen bij de rechtbank Den Haag. In lijn met hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde die rechtbank dat sprake is van verwarringsgevaar tussen het teken van H&M en de beeldmerken van Adidas. Het hof Den Haag heeft de vorderingen van Adidas afgewezen op de grond dat de door H&M gebruikte twee strepen niet onder het door Adidas geformuleerde petitum vallen. De tussenruimte tussen de twee strepen is kleiner dan de tussenruimte tussen de drie strepen op de kleding van Adidas, die even breed is als een streep. A-G Drijber kan zich eveneens vinden in dit oordeel en adviseert in zijn conclusie dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

4.23 Onderdeel 4 richt zich tegen de afwijzing van de sub cvordering in rov. 27 (slot) en rov. 45. Het onderdeel voert daartoe, samengevat, aan dat het hof heeft miskend dat de sub c-toets een andere is dan de sub btoets en het hof de sub ctoets onjuist c.q. onbegrijpelijk heeft toegepast (subonderdelen 4.1-4-3). Ook voert adidas aan dat het oordeel dat zij aan de sub cvordering slechts dezelfde feiten ten grondslag zou hebben gelegd als aan haar sub bvordering, onbegrijpelijk is (subonderdeel 4.4).

4.24 De klachten falen in elk geval voor zover zij zijn gericht zijn tegen rov. 27. Immers houdt het in die rechtsoverweging gegeven oordeel slechts in dat de gevorderde verbodsverklaring ten aanzien van de Work Out-kleding moet worden afgewezen omdat deze niet onder de gevorderde verbodsomschrijving valt. Gelet op dat oordeel hoefde het hof op die plaats niet te beoordelen of sprake was van een sub c-inbreuk.