IEF 18595

Bewijs levering auteursrechten Cerme ontbreekt

Rechtbank Den Haag 3 juli 2019, IEF… ;ECLI:NL:RBDHA:2019:6649 (Cerme tegen A) Auteursrecht. Vervolg op tussenvonnis 14 februari 2018 [IEF 17514]. In het tussenvonnis is overwogen dat levering van de aan de orde zijnde auteursrechten op grond van artikel 2 Aw plaats dient te vinden door middel van een daartoe bestemde akte en dat Cerme daarom niet kan volstaan met het bewijs dat partijen de inbreng van de volle gerechtigdheid op de auteursrechten zijn overeengekomen, maar moet bewijzen dat deze volle gerechtigdheid ook daadwerkelijk is ingebracht door levering, hetzij door de daartoe strekkende leveringsakte (alsnog) in het geding te brengen, hetzij door het bestaan van deze akte op andere wijze aan te tonen. In dit vonnis gaat het om bewijsbeoordeling. Bewijs voor levering auteursrechten bij akte is niet geleverd.

Het bewijs
2.3. Cerme heeft geen leveringsakte in het geding gebracht. Zij heeft gesteld dat deze akte is zoekgeraakt. Zij heeft bewijs bijgebracht door middel van het doen horen van getuigen. 

2.5. Op grond van artikel 164 lid 2 Rv2 kan, indien een partij als getuige is gehoord, haar verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Hiervan is sprake als er aanvullende bewijzen zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigeverklaring voldoende geloofwaardig maken

2.11. Bij gebreke van enig objectief bewijs, bijvoorbeeld in de vorm van schriftelijke stukken of een onafhankelijke getuigenverklaring, is de verklaring van [A] voldoende om het door Cerme bijgebrachte (getuigen)bewijs van het bestaan van een leveringsakte te ontzenuwen. De enkele getalsmatige meerderheid van de getuigen aan de zijde van Cerme legt in dit verband, mede gezien hun betrokkenheid bij deze partij (zie hiervoor onder 2.6), onvoldoende gewicht in de schaal.

Conclusie
2.12. De slotsom van het voorgaande is dat Cerme er niet is geslaagd te bewijzen dat de volle gerechtigdheid tot auteursrechten op het programma Mega-Kassa door [A] is ingebracht in de VOF. Zoals al onder 4.10 van het tussenvonnis is overwogen, moeten de op die stelling gebaseerde vorderingen onder 1, 5 en 6 van Cerme dan ook worden afgewezen. Ook de vordering onder 9 - voor zover deze ziet op schade als gevolg van het onder vordering 5 bedoelde onrechtmatig handelen - moet worden afgewezen. Onder 4.23 van het tussenvonnis is al overwogen dat het door Cerme onder 2, 3, 4, 7 en 9 - voor zover het betrekking heeft op schade als gevolg van wanprestatie - gevorderde moet worden afgewezen. De onder 8 gevorderde dwangsom moet, nu deze is verbonden aan vorderingen 4, 6 en 7, ook worden afgewezen. Geen van de vorderingen van Cerme komt dan ook voor toewijzing in aanmerking.