IEF 16351

Bescherming van eer en goede naam weegt zwaarder dan vrijheid van meningsuiting bij mislukte haartransplantatie

transhair

Rechtbank Gelderland 17 oktober 2016, IEF 16351; ECLI:NL:RBGEL:2016:5780 (online uitlatingen mislukte haartransplantatie) Onrechtmatige uitlatingen. Belangenafweging. Gedaagde heeft een mislukte haartransplantatie ondergaan door eiser. Er zijn bijvoorbeeld littekens ontstaan. Naar aanleiding hiervan zet gedaagde een website online waarin hij zijn verhaal doet over de leugens, misleiding manipulatie door de eiser. Op de website is ook het beeldmerk dat eiser heeft geregistreerd afgebeeld. De vraag die centraal staat, is of gedaagde onrechtmatig handelt jegens eiser door op de website berichten/uitlatingen over eiser te plaatsen. De rechtbank weegt het belang van de vrijheid van meningsuiting af tegen het recht op bescherming van eer of goede naam. De bewoording op de site is gebruikt, is volgens de rechtbank nodeloos grievend van aard. Eventuele kritiek op eiser had ook in meer zakelijke bewoordingen vervat kunnen worden. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor eiser. Dat gedaagde slachtoffer is geworden maakt niet dat het daarom toegestaan is om bepaalde bewoordingen te gebruiken. De rechtbank oordeelt dat gedaagde geen feitelijke grond heeft voor zijn gewraakte uitlatingen en dat de grenzen van zorgvuldigheid zijn overschreden. Daarnaast is het handelen van gedaagde jegens eiser als onrechtmatig te kwalificeren. Het belang van eiser om gevrijwaard te worden van ongefundeerde verdachtmakingen en beschuldigingen dient tegen deze achtergrond dus zwaarder te wegen dan het belang dat gedaagde kennelijk stelt te hebben bij zijn uitlatingen

4.5. Voorop gesteld wordt dat de vorderingen van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] in beginsel een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 van het (Europese) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van [gedaagde sub 1] op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van [gedaagde sub 1] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht - het recht op vrijheid van meningsuiting of het recht op bescherming van eer of goede naam - in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Het belang van [gedaagde sub 1] is dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Het belang van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] is erin gelegen dat zij niet lichtvaardig worden blootgesteld aan verdachtmakingen en/of voor hen ongewenste publiciteit omtrent haar/zijn (privé)gegevens en (privé)situatie. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval. Ten slotte spelen nog een rol de vraag of de beweringen die worden gedaan op waarheid berusten en de manier waarop die beweringen worden gedaan.

4.8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het is op zichzelf niet ongeoorloofd dat op een particuliere website kritiek wordt geleverd op het handelen van een kliniek/behandelaar of een andere instelling/persoon, althans dat een geschil tussen partijen op een website uiteen wordt gezet. [gedaagde sub 1] is hier evenwel over de grens van het toelaatbare gegaan, nu hij zich niet heeft beperkt tot zakelijke informatie over het geschil tussen hem en [eiser sub 2] , maar zich ook persoonlijk in negatieve zin over [eiser sub 2] en [eiser sub 1] heeft uitgelaten. De betreffende passages op de website www. [website] .nl zoals opgenomen onder 2.2. van dit vonnis wekken minstgenomen de indruk dat [eiser sub 2] geen betrouwbare haartransplantatiekliniek voor zijn cliënten is en dat (potentiële) cliënten dan ook uiterst waakzaam en alert moeten zijn indien zij een behandeling bij [eiser sub 2] overwegen en/of ondergaan. [gedaagde sub 1] bezigt de volgende bewoordingen als hij het over [eiser sub 2] en/of [eiser sub 1] heeft: ‘vele gruwelijke fouten’, ‘verminkt’, ‘misleid, misbruikt en gemanipuleerd’, ‘malafide praktijk’ en ‘voorproefje van alle leugens en misleidingen’. Tevens heeft [gedaagde sub 1] op de website het volgende vermeld: “Binnenkort zal ik samen met andere [eiser sub 2] slachtoffers mijn verhaal doen over leugens, misleidingen, manipulatie, financiële fraude en misbruik van onzekerheden door [eiser sub 2] (www. [eiser sub 2] .nl).” Het beeldmerk van [eiser sub 2] is hierbij opgenomen, zo blijkt uit het proces-verbaal van constateringen van de deurwaarder van 28 juni 2016.

4.9. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat deze bewoordingen en passages, die nodeloos grievend van aard zijn (want eventuele kritiek op [eiser sub 2] en [eiser sub 1] had ook in meer zakelijke bewoordingen vervat kunnen worden) negatieve gevolgen kunnen hebben voor [eiser sub 2] en [eiser sub 1] . Dit terwijl [gedaagde sub 1] in dit kort geding onvoldoende duidelijk heeft kunnen maken op welke concrete feiten of gebeurtenissen hij zijn uitlatingen over [eiser sub 2] en [eiser sub 1] doet steunen. Immers volgens de door [gedaagde sub 1] ingeschakelde medisch adviseur (zie de brief van 22 juni 2016 van [medisch adviseur] ) zijn er geen aanwijzingen dat in technische zin sprake is geweest van onzorgvuldige of foutieve uitvoering van de behandeling en was de littekenvorming niet te voorzien. Dat sprake zou zijn van verminking, leugens, misleiding, gruwelijke fouten, misbruik en/of manipulatie is niet aannemelijk geworden, behoudens dan dat [eiser sub 2] [gedaagde sub 1] mogelijk niet volledig zou hebben voorgelicht. Daarover dient de rechter zich evenwel nog uit te spreken in het door [gedaagde sub 1] aanhangig gemaakte deelgeschil. Wat hier verder ook van zij, dit rechtvaardigt evenwel nog niet het gebruik van voornoemde termen op de website.

4.12. Voorshands geoordeeld moet het er daarom voor gehouden worden dat [gedaagde sub 1] geen enkele feitelijke grond heeft voor zijn gewraakte uitlatingen en dat hij de grenzen van zorgvuldigheid die hij jegens [eiser sub 2] en [eiser sub 1] in acht had moeten nemen, heeft overschreden. Voldoende aannemelijk is dan ook geworden dat sprake is van laster. Daarnaast is het handelen van [gedaagde sub 1] jegens [eiser sub 2] en [eiser sub 1] als onrechtmatig te kwalificeren. Het belang van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] om gevrijwaard te worden van ongefundeerde verdachtmakingen en beschuldigingen dient tegen deze achtergrond dus zwaarder te wegen dan het belang dat [gedaagde sub 1] kennelijk stelt te hebben bij zijn uitlatingen. Dat [gedaagde sub 1] zijn oorspronkelijk op de website geplaatste uitlatingen heeft aangepast maakt het voorgaande niet anders. Immers er wordt nog steeds door [gedaagde sub 1] op een ongenuanceerde en onnodig grievende wijze bericht gedaan van zijn ervaringen met [eiser sub 2] en [eiser sub 1] .

4.13. De vordering van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] onder I. dat [gedaagde sub 1] de website www. [website] .nl dient te verwijderen en verwijderd dient te (doen) houden, zal dan ook worden toegewezen. Dit geldt daarmee ook voor het zich daarop bevindende beeldmerk van [eiser sub 2] ten aanzien waarvan [eiser sub 2] heeft gesteld dat verwijdering van dat beeldmerk onder de vordering sub I. dient te worden geschaard. Het is [gedaagde sub 1] immers niet toegestaan om dit beeldmerk te gebruiken. Door dit wel te doen handelt hij in strijd met artikel 2.20 lid 1 sub d van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE).

4.14. Tevens zal het [gedaagde sub 1] worden verboden om zich op enigerlei wijze via internet of enig ander openbaar medium over [eiser sub 2] en [eiser sub 1] uit te laten op een vergelijkbare wijze zoals hij dat heeft gedaan op de website www. [website] .nl, bijvoorbeeld op Facebook. [gedaagde sub 1] heeft ook een Facebookpagina met als naam [website] aangemaakt, die toegankelijk is voor gebruikers van Facebook. Uit de overgelegde stukken is niet duidelijk wat thans daarop is geplaatst. Indien hierop uitlatingen over [eiser sub 2] en [eiser sub 1] worden gedaan vergelijkbaar met hetgeen is vermeld op de website, is dat niet toegestaan.