Gepubliceerd op vrijdag 24 juli 2026
IEF 23709
Hof Amsterdam ||
7 jul 2026,
Hof Amsterdam 7 jul 2026,, IEF 23709; ECLI:NL:GHAMS:2026:1832 ([appellant] tegen de bank), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/bank-mag-zakelijke-borgtocht-volledig-uitwinnen-en-hoefde-geen-pandrecht-op-ie-rechten-te-bedingen

Bank mag zakelijke borgtocht volledig uitwinnen en hoefde geen pandrecht op IE-rechten te bedingen

Hof Amsterdam 7 juli 2026, IEF 23709; ECLI:NL:GHAMS:2026:1832 ([appellant] tegen de bank). Een medebestuurder en aandeelhouder van SCF-Solutions B.V. stelde zich tegenover ABN AMRO borg voor de verplichtingen van SCF uit een kredietovereenkomst. Zijn aansprakelijkheid was gemaximeerd op € 250.000, te vermeerderen met de door SCF verschuldigde rente en de invorderingskosten. Nadat de bank de kredietovereenkomst op 31 maart 2014 had opgezegd en SCF op 10 april 2014 failliet was verklaard, bleef een deel van de kredietschuld onbetaald. De bank sprak de borg op 17 april 2015 aan tot betaling van het maximumbedrag. Toen betaling uitbleef, liet zij in 2016 na verlof van de Belgische beslagrechter beslag leggen op zijn roerende zaken en werd tijdelijk een sekwester aangesteld. De Rechtbank Amsterdam veroordeelde de borg tot betaling van € 250.000, vermeerderd met rente en kosten. In hoger beroep voerde hij aan dat de Belgische beslaglegging onzorgvuldig en onrechtmatig was, dat de bank haar zorgplicht had geschonden door geen pandrecht op de IE-rechten van SCF te bedingen en dat het aanspreken van de borg naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Het hof is op grond van de tussen partijen gesloten forumkeuzeovereenkomst bevoegd en past vanwege de rechtskeuze in de borgtochtovereenkomst Nederlands recht toe. Omdat de geldigheid van de borgtocht en de tekortkoming van SCF vaststaan, mocht de bank haar zekerheden, waaronder de borgtocht, in beginsel uitwinnen.

Het hof oordeelt dat de bank de Belgische beslagrechter niet onjuist of misleidend heeft geïnformeerd. De borg had ondanks herhaalde betalingsverzoeken niet betaald, reageerde gedurende langere tijd niet en eerdere beslagen onder Belgische banken hadden geen doel getroffen. Dat hij mogelijk over ander verhaalsvermogen beschikte, verhinderde de bank niet om een bewarende maatregel te vragen. De beslaglegging was na rechterlijk verlof verricht ter verzekering van een opeisbare vordering en was daarom naar Nederlands recht als zodanig niet onrechtmatig. Voor eventuele schade door de feitelijke uitvoering van het beslag moest de borg zich in beginsel tot de Belgische deurwaarder wenden; bovendien had hij de gestelde schade niet met concrete stukken onderbouwd. Een eventuele schadevordering op de bank kon op grond van artikel 4 van de borgtochtovereenkomst bovendien niet met zijn betalingsverplichting worden verrekend. Op de bank rustte ook geen algemene zorgplicht om ten behoeve van de borg alle mogelijke andere zekerheden te bedingen. De kredietgever en kredietnemer zijn in beginsel vrij het zekerhedenpakket vast te stellen, terwijl de borg zelf moet nagaan welke zekerheden zijn overeengekomen. Zelfs als een pandrecht op de IE-rechten als aanvullende zekerheid was gevestigd, mocht de bank de borg in beginsel nog steeds aanspreken. Uit het faillissementsverslag bleek daarnaast dat de IE-rechten slechts een zeer beperkte waarde hadden en niet te gelde konden worden gemaakt. Het aanspreken van de borg is daarom niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en evenmin onrechtmatig. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf 30 april 2015, toen de borg na sommatie in verzuim raakte. Het tijdsverloop rechtvaardigt geen afwijzing of matiging van de rente, omdat de bank haar rechten had voorbehouden en had geprobeerd een integrale regeling te bereiken. Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt de borg in € 16.217 aan proceskosten in hoger beroep, plus € 189 aan nasalaris en, bij betekening, nog € 98 en de kosten van het betekeningsexploot.

Geen pandrecht op de IE-rechten van SCF

6.11.

[appellant] heeft ook aangevoerd dat de bank in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht jegens hem als borg doordat zij geen pandrecht op de IE-rechten van SCF heeft bedongen. De IE-rechten waren juist een waardevol vermogensbestanddeel van SCF, en [appellant] mocht ervan uitgaan dat de bank daar een zekerheidsrecht op zou vestigen. De uitleg van de bank dat deze zekerheid niet onder het zekerhedenpakket vielen dat zij met SCF was overeengekomen, is te beperkt. Op het moment dat de bank wel vroeg om zekerheid op de IE-rechten, was dat niet meer mogelijk omdat de vestiging op dat moment – in het zicht van het faillissement van SCF – paulianeus zou zijn geweest, aldus [appellant] .

6.12.

Het hof volgt ook dit betoog van [appellant] niet. In het algemeen geldt niet de regel dat een bank op basis van haar zorgplicht jegens een borg gehouden is ook alle mogelijke andere zekerheden te vestigen. Uitgangspunt is dat een kredietgever en een kredietnemer vrij zijn in het bepalen van de zekerheden die in het kader van de kredietverlening verstrekt dienen te worden. Degene die bereid is borg te staan voor een kredietnemer, dient zichzelf ervan te vergewissen wat de kredietgever en kredietnemer ter zake van de zekerheden zijn overeengekomen en in dat kader een eigen afweging te maken. Dat is hier kennelijk ook gebeurd: door ondertekening van de borgtochtovereenkomst heeft [appellant] immers verklaard dat hij op de hoogte was van de door de bank bedongen zekerheden. Vast staat verder dat de bank bij de kredietverlening geen pandrecht op IE-rechten heeft verkregen. Uit niets blijkt ook dat daar in 2011 over is gesproken. Wel is dit mogelijk in het zicht van het faillissement aan de orde gekomen, maar niet gesteld of gebleken is dat dit pandrecht – wat volgens [appellant] paulianeus zou zijn en daarom toen niet meer kon worden gevestigd – dan ter vervanging van de borgtocht van [appellant] zou worden gevestigd. Kennelijk ging het toen om een extra zekerheid. Zelfs als dit pandrecht als extra zekerheid zou zijn verstrekt, behield de bank in beginsel de vrijheid [appellant] uit hoofde van diens persoonlijke borgtocht aan te spreken, zoals zij nu heeft gedaan. Ook in dit opzicht kan zijn stelling dat de betreffende IE-rechten bij een juist optreden van de curator in een faillissementssituatie ongeveer € 100.000 tot € 200.000 (10% van de ontwikkelkosten) hadden kunnen opbrengen, [appellant] niet baten. Uit het faillissementsverslag van de curator van SCF van 23 juli 2015 volgt bovendien dat de waarde van de IE-rechten zeer beperkt was en dat deze niet te gelde konden worden gemaakt.

6.13.

De slotsom is dat het hof de verweren van [appellant] tegen de uitwinning van de borgtocht niet volgt en dat de grieven I tot en met IV geen doel treffen. De reden voor het aangaan van de borgtochtovereenkomst, zo is door de bank onweersproken aangevoerd, was het bieden van zekerheid voor het nakomen van de verplichtingen uit hoofde van de lening die aan SCF werd verstrekt, juist voor het geval SCF niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Dat risico heeft zich verwezenlijkt en SCF is gefailleerd. De door [appellant] aangevoerde feiten en omstandigheden leiden er naar het oordeel van het hof niet toe dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de bank [appellant] aanspreekt op grond van diens borgtocht. Ook leidt die aanspraak in de gegeven feiten en omstandigheden niet tot het oordeel dat de bank heeft gehandeld in strijd met een (ongeschreven) maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm en daarmee onrechtmatig, zoals [appellant] nog betoogt.