IEF 16696

Auteursrechtdebat - Joost Poort: Ceci n’est pas un Verheijen

Deze doorgeefcolum wordt doorgegeven aan Dirk Visser. In het kort geding over de verbouwing van Naturalis stonden niet alleen het museum en de architect, maar ook de economische logica van het auteursrecht en de persoonlijkheidsrechten van auteurs lijnrecht tegenover elkaar.

Wat was er aan de hand? Het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, in 1998 ontworpen door architect Fons Verheijen, was niet geschikt voor de grote bezoekersaantallen van de laatste jaren en dreigde zo aan zijn eigen succes ten onder te gaan. Naturalis organiseerde in 2013 een Europese aanbesteding voor een grootscheepse verbouwing. Ook Verheijen tekende in maar verloor: de klus ging naar Neutelings Riedijk Architecten. Verheijen verzette zich tegen de verbouwingsplannen met een beroep op zijn persoonlijkheidsrechten. Op 25 januari oordeelde de rechtbank Den Haag in een tussenvonnis dat de verbouwing inderdaad een inbreuk op het auteursrecht van de architect op zou leveren. Op 7 maart zette het de bouw stop tot in mei uitspraak zou komen in de bodemprocedure. Op televisie sprak Verheijen over een ‘liefdeloze verminking’ van zijn werk dat toch voor een architect als een ‘kind’ was. Met de woordkeuze ‘verminking’ sloot hij handig aan bij de verwoording van de persoonlijkheidsrechten in Artikel 25 lid 1 Aw.

Op 20 maart troffen Verheijen en Naturalis een schikking: in ruil voor anderhalf miljoen euro voor een nog door Verheijen op te richten architectuurstichting, een ‘virtueel museum’ dat het gebouw ten minste tien jaar in zijn oude staat toont, en het schrappen van de naam van de architect van alles behalve de museumtoren, mocht Naturalis verder gaan met de verminking van Verheijens kind.

Voor wie het auteursrecht ziet als een nuttig instrument om te zorgen dat makers beloond worden voor hun creaties, en zo gestimuleerd worden mooie en creatieve dingen te maken en te exploiteren, is dit alles moeilijk te verteren. De architect was in 1998 toch al betaald voor zijn werk? Het bovengenoemde doel van het auteursrecht is dus al lang bereikt en zelfs in 1998 was er waarschijnlijk helemaal geen auteursrecht nodig om Verheijen tot zijn ontwerp te stimuleren. Het gebouw is dermate uniek dat een private overeenkomst uitstekend in staat is de juiste prikkels te geven aan de architect. In dat opzicht is de rol van de architect economisch beschouwd weinig anders dan die van het bouwbedrijf dat vervolgens de heipalen mag slaan. Tuurlijk, het Natuurhistorisch Museum van Gent zou het ontwerp kunnen kopiëren, maar zeker voor een gebouw als dit is de kans klein dat dat gebeurt, en die kleine kans is niet of nauwelijks van invloed op de prikkels voor de architect in zijn klus voor Naturalis.

Een verschil tussen de architect en het bouwbedrijf dat het heiwerk doet, is wel de zichtbaarheid van en associatie met het werk. Daar doen de persoonlijkheidsrechten hun intrede. Hoewel de architectonische kwaliteit van het ontwerp van Verheijen door sommige vakbroeders betwist wordt, kan het een visitekaartje zijn voor de architect. Sinds het Jelles/Zwolle-arrest van de Hoge Raad uit 2004 weten we dat je zo’n visitekaartje wel mag vernietigen, maar verbouwen ligt dus ingewikkelder zo blijkt maar weer.

En dat is waar het hier mis gaat. Door in de schikking een prijskaartje van anderhalf miljoen te hangen aan de abstracte persoonlijkheidsrechten haalt de architect niet alleen de geloofwaardigheid van zijn principiële opstelling onderuit, maar raken economische rechten en persoonlijkheidsrechten met elkaar verknoopt. Iedere ouder weet dat je je kinderen moet loslaten als ze volwassen geworden zijn, ook als ze andere keuzes maken in het leven dan jij. Het enige wat je dan nog kan doen is ze onterven of verstoten. Ging het puur om persoonlijkheidsrechten, dan had de schikking zich – desgewenst – moeten beperken tot het virtuele museum en het schrappen van de naam. En eventueel een plaquette in de hal met de tekst ‘Ceci n’est pas un Verheijen’.

Joost Poort, Instituut voor Informatierecht

Joost Poort geeft de column graag door aan Dirk Visser met de vraag of de uitoefening van persoonlijkheidsrechten in het auteursrecht zich niet zou moeten beperken tot de eis de naam van de auteur te vermelden of juist te schrappen.