IEF 19841

Audi heft derdenbeslag met succes op

Vzr. Rechtbank Rotterdam 16 maart 2021, IEF 19841, C/l01613305 / KG ZA 21-109 (Audi tegen Dejavu) De vof 'Dejavu' houdt zich bezig met de detailhandel in auto-onderdelen, waaronder bumpers en verlichting. Audi heeft in mei 2019 via een beschikking een inbreukverbod weten op te leggen aan Dejavu, wat uiteindelijk leidde tot beslagleggingen van Audi op zaken van Dejavu. Deze heeft Dejavu op haar beurt weer op weten te heffen. Uiteindelijk heeft Dejavu derdenbeslag weten te leggen op een aantal zaken ten laste van Audi. Audi vordert hier opheffing van. De voorzieningenrechter verklaart dat de dwangsommen die Audi zijn opgelegd niet zijn verbeurd waardoor de opheffing kan worden toegewezen.

4.11. Uit het voorgaande volgt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat Audi dwangsommen heeft verbeurd. Dit betekent dat de vordering tot opheffing van de executoriale beslagen toewijsbaar is, net als het verbod om pogingen in het werk te stellen om dwangsommen te executeren voor zover gebaseerd op de stelling dat Audi de goederen niet op de (juiste) locaties in haar bedrijfspand heeft teruggeplaatst. Voor oplegging van een nieuwe dwangsom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding omdat aangenomen mag worden dat Dejavu zich van verdere executie zal onthouden. Indien Dejavu meent dat Audi wel dwangsommen heeft verbeurd, ligt het op haar weg om een bodemprocedure aanhangig te maken. Het in dit kort geding opgelegde verbod verliest uiteraard zijn werking indien in die bodemprocedure anders wordt beslist.

4.12. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat het aannemelijk is dat Dejavu schade heeft geleden omdat zij gedurende enige tijd niet over de in beslag genomen handeisvoorraad en inventaris heeft kunnen beschikken. Deze schade speelt evenwel geen rol bij de vraag of Audi dwangsommen heeft verbeurd.