IEF 18481

'Attendatieplicht' en in quarantaine houden domeinnaam, kwalificeert als bedrog

Rechtbank Noord-Nederland 21 mei 2019, IEF 18481; IT 2781; ECLI:NL:RBNNE:2019:2236 (Trademark tegen Orakel) Domeinnaamrecht. Trademark voert een onderneming die zich richt op het registreren van domeinnamen. Zij heeft de bij deze zaak betrokken bedrijven en personen, Orakel c.s, benaderd, die voor hun bedrijf een website gebruiken met (veelal) de extensie .nl. Trademark heeft door het opzettelijk doen van onjuiste mededelingen deze bedrijven en personen bewogen om een overeenkomst met Trademark te sluiten voor de registratie van de naam van hun website, maar dan met de extensie .com of .eu. Trademark maakte kenbaar dat er een aanvraag van een derde voor een domeinnaam was ontvangen en dat zij vanuit genoemde hoedanigheid een ‘attendatieplicht’ heeft ten opzichte van domeinnaamhouders op het moment dat er een aanvraag voor de registratie van een identieke domeinnaam met een andere extensie wordt ingediend. Orakel c.s. moesten binnen 24 uur voor de nieuwe domeinnaam kiezen, anders zou deze worden vrijgegeven aan de aanvrager. Er is sprake van bedrog. De betreffende bedrijven en personen hebben de overeenkomst met Trademark terecht vernietigd.

5.9.
Hetgeen Trademark in de telefoongesprekken heeft gezegd over de aanvraag van een derde voor een domeinnaam, haar attendatieplicht en de quarantaine, kwalificeert de kantonrechter - afzonderlijk en dus ook tezamen - als bedrog. Bedrog is ingevolge artikel 3:44 lid 3 BW van het Burgerlijk Wetboek (BW) namelijk onder meer aanwezig wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling. Dat laatste is hier het geval. Trademark heeft Orakel c.s. willens en wetens misleid met de bedoeling om hen te verleiden om de overeenkomsten te sluiten.

5.14.
In het onderhavige geval is er sprake van bedrog aan de zijde van Trademark bij het sluiten van de overeenkomsten. Zoals hiervoor is overwogen, heeft Trademark Orakel c.s. willens en wetens misleid met de bedoeling om hen te verleiden om deze overeenkomsten te sluiten. Trademark had zich naar het oordeel van de kantonrechter dan ook neer moeten leggen bij de vernietiging van de overeenkomsten. Nu Trademark dat ten onrechte niet heeft gedaan, heeft zij Orakel c.s. gedwongen om de dagvaarding uit te brengen teneinde een verklaring voor recht te vragen dat de overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd, met alle kosten van dien (rechtsbijstand en proceskosten). Aldus heeft Trademark gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en dus jegens Orakel c.s. onrechtmatig gehandeld. Voorts geldt dat het bedrog meebrengt dat Trademark wist wat de werkelijke feiten waren. Trademark had daarom haar verweer (ingevolge artikel 147 lid 1 Rv geldt het exploot van verzet als conclusie van antwoord), gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van Orakel c.s. achterwege moeten laten. Door niettemin toch verweer te voeren, is er naar het oordeel van de kantonrechter sprake van misbruik van procesrecht.

5.15.
Op grond van deze overwegingen, kunnen Orakel c.s. naar het oordeel van de kantonrechter met vrucht aanspraak maken op de volledige (werkelijke) proceskosten. De hoogte van het ter zake door Orakel c.s. gevorderde bedrag (€ 5.673,41) is door Trademark niet, althans niet gemotiveerd betwist, zodat dit bedrag zal worden toegewezen. In die zin zal het verstekvonnis worden vernietigd. Omdat genoemd bedrag het totaalbedrag is van de (enige) kosten die Orakel c.s. aan hun gemachtigden verschuldigd zijn, is er naar het oordeel van de kantonrechter geen plaats voor toekenning van de medegevorderde nakosten.