IEF 18623

Antwoord prejudiciële vragen HvJEU uitingsvrijheid als buitenwettelijke beperkingsgrond auteursrecht?

HvJ EU 29 juli 2019, IEF 18623; C-469/17 (Funke tegen Duitsland) Auteursrecht. Bondsrepubliek Duitsland laat wekelijks een verslag opstellen over buitenlandse interventies van onder andere het leger en worden onder de naam UdP verstrekt aan een beperkt aantal personen en afdelingen. Funke Medien beheert de website van een Duits dagblad. Zij heeft verzocht om toegang tot UdP’s. Duitsland wees dit verzoek af vanwege de gevoelige informatie. Funke heeft toch langs onbekende weg de hand weten te leggen op een groot deel van de UdP’s en een aantal hiervan gepubliceerd. Duitsland vindt dat haar auteursrecht geschonden is door Funke. Funke vindt dat de uitingsvrijheid in dit geval prevaleert. Het HvJEU besluit dat de uitingsvrijheid geen buitenwettelijke beperkingsgrond van het auteursrecht kan zijn. Het kan wel gebruikt worden om beperkingen te interpreteren. Daarmee blijft het de eerdere lijn volgen.

1) Is er discretionaire ruimte bij de omzetting in nationaal recht van de Unierechtelijke bepalingen inzake het uitsluitende reproductierecht van auteurs [artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29] en inzake het uitsluitende recht van mededeling van hun werken aan het publiek, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek (artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29) alsook inzake de beperkingen of restricties op deze rechten (artikel 5, leden 2 en 3, van richtlijn 2001/29)?

54. Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 2, onder a), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moeten worden uitgelegd dat zij maatregelen zijn die volledige harmonisatie van de materiële inhoud van de aldaar bedoelde rechten bewerkstelligen. Artikel 5, lid 3, onder c), tweede geval, en onder d), van die richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat het geen volledige harmonisatie van de draagwijdte van de daarin vervatte beperkingen of restricties tot stand brengt.

2) Op welke manier dienen de grondrechten van het [Handvest] in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van de draagwijdte van de in artikel 5, leden 2 en 3, van richtlijn 2001/29 vastgestelde beperkingen of restricties op zowel het uitsluitende reproductierecht van auteurs [artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29] als het uitsluitende recht van mededeling van hun werken aan het publiek, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek (artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29)?

76. Gelet op het een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat de nationale rechter zich bij de belangenafweging die hij aan de hand van alle omstandigheden van het betrokken geval dient te maken tussen enerzijds de in artikel 2, onder a), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 bedoelde uitsluitende rechten van de auteur en anderzijds de in de uitzonderingsbepalingen van artikel 5, lid 3, onder c), tweede geval, en onder d), van deze richtlijn bedoelde rechten van de gebruikers van beschermd materiaal moet baseren op een uitlegging van deze bepalingen die, met volledige inachtneming van de bewoordingen en behoud van de nuttige werking ervan, volkomen in overeenstemming is met de door het Handvest gewaarborgde fundamentele rechten.

3) Kunnen de grondrechten op informatievrijheid (artikel 11, lid 1, tweede volzin, van het [Handvest]) of persvrijheid (artikel 11, lid 2, van het [Handvest]) een rechtvaardiging bieden voor niet onder artikel 5, leden 2 en 3, van richtlijn 2001/29 vallende beperkingen of restricties op zowel het uitsluitende reproductierecht van auteurs [artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29] als het uitsluitende recht van mededeling van hun werken aan het publiek, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek (artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29)?”

64. Gelet op het voorgaande dient op de derde vraag te worden geantwoord dat de in artikel 11 van het Handvest neergelegde informatievrijheid en persvrijheid geen rechtvaardiging kunnen bieden voor niet onder de in artikel 5, leden 2 en 3, van richtlijn 2001/29 bedoelde beperkingen en restricties vallende afwijkingen van het uitsluitende reproductierecht van auteurs en het uitsluitende recht van mededeling van hun werken aan het publiek, zoals deze rechten respectievelijk in artikel 2, onder a), en artikel 3, lid 1, van die richtlijn zijn vastgelegd.