26 aug 2026,
Antargaz kan contractueel optreden tegen merkinbreuken op gasflessen van derden
Rb. Den Haag 26 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30045 (Antargaz tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen Antargaz en [gedaagde] staat de nakoming centraal van een vaststellingsovereenkomst over het navullen van gasflessen en mogelijke inbreuken op merkrechten van derden. Partijen waren al langere tijd verwikkeld in een geschil over het zonder toestemming navullen van gasflessen waarop het merk ANTARGAZ is aangebracht. In maart 2026 sloten zij een vaststellingsovereenkomst waarin [gedaagde] zich onder meer verplichtte om zich te onthouden van vergelijkbare inbreuken op de exclusieve rechten van andere marktpartijen in de gasflessenbranche. Partijen spraken daarnaast af dat Antargaz een camera bij de vulinstallatie mocht plaatsen en bij een redelijk vermoeden van overtreding de beelden onder voorwaarden met andere marktpartijen mocht delen. Na onderzoek door een recherchebureau stelde Antargaz dat [gedaagde] toch gasflessen van onder meer Benegas, Primagaz België en Rijngas navulde. Antargaz vordert daarom nakoming van de vaststellingsovereenkomst, versterkt met een dwangsom, en een voorschot op de schadevergoeding voor de gemaakte onderzoekskosten.
De voorzieningenrechter oordeelt dat Antargaz nakoming van het contractuele verbod kan vorderen, hoewel zij geen rechthebbende is op de merkrechten van de betrokken derden. [gedaagde] heeft zich immers tegenover Antargaz verplicht om zich van dergelijke inbreuken te onthouden. Antargaz heeft bovendien een zelfstandig belang bij nakoming, omdat het navullen van gasflessen van andere merkhouders [gedaagde] een oneerlijk concurrentievoordeel oplevert. Merkhouders maken kosten voor de aankoop, vervanging, herkeuring en het onderhoud van gasflessen, terwijl [gedaagde] deze kosten bij het ongeoorloofd navullen niet maakt. Hierdoor kan hij lagere prijzen aanbieden. Volgens de voorzieningenrechter heeft Antargaz daarom belang bij een eerlijk speelveld. De vordering tot nakoming wordt toegewezen. De gevorderde dwangsommen worden echter afgewezen. Uit de onderhandelingen blijkt dat partijen er uitdrukkelijk voor hebben gekozen geen financiële sanctie te verbinden aan overtreding van het verbod op het navullen van gasflessen van derden. In plaats daarvan kwamen zij overeen dat Antargaz camerabeelden onder bepaalde voorwaarden met andere merkhouders mag delen, zodat deze zelf tegen mogelijke merkinbreuken kunnen optreden. Hoewel een contractuele boete en een rechterlijke dwangsom juridisch verschillen, dienen beide als financiële prikkel tot nakoming. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om alsnog dwangsommen op te leggen. Of [gedaagde] het verbod daadwerkelijk heeft overtreden, kan daarbij in het midden blijven. Ook het gevorderde voorschot van € 3.992 exclusief btw voor de onderzoekskosten wordt afgewezen. Antargaz heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang bij betaling heeft. Bovendien had zij de onderzoekskosten kunnen voorkomen door de overeengekomen camera te plaatsen. De voorzieningenrechter veroordeelt [gedaagde] tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst en bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
4.6 Partijen zijn het erover eens dat Antargaz niet de houdster is van de merkenrechten van de derden waarop [gedaagde] mogelijk inbreuk maakt, zodat Antargaz niet rechtstreeks op grond van het merkenrecht van derden kan optreden tegen deze vermeende inbreuken. Volgens [gedaagde] ontbreekt als gevolg daarvan een rechtmatig belang aan de zijde van Antargaz. Hoewel Antargaz inderdaad niet de rechthebbende is van de merkenrechten waarop [gedaagde] mogelijk inbreuk maakt, heeft [gedaagde] zich met artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst jegens Antargaz verplicht om zich te onthouden van inbreuken op merkenrechten van derden. Nakoming van een dergelijke contractuele verplichting kan in beginsel worden gevorderd op grond van artikel 3:296 BW. Wel moet Antargaz ingevolge artikel 3:303 BW voldoende belang hebben bij haar vordering tot nakoming.
4.7 Antargaz heeft aangevoerd dat zij een aantal eigen, zelfstandige belangen heeft bij het in artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen verbod. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Antargaz in ieder geval belang bij nakoming van de tussen partijen overeengekomen verplichting door [gedaagde], omdat [gedaagde] een oneerlijk concurrentievoordeel behaalt door het illegaal navullen van de gasflessen. Antargaz heeft immers onweersproken aangevoerd dat merkhouders zoals Antargaz aanzienlijke kosten maken voor de aankoop, vervanging, herkeuring en het onderhoud van de gasflessen, terwijl [gedaagde] deze kosten niet maakt als hij gasflessen illegaal navult. [gedaagde] kan daardoor een scherpere prijs aanbieden dan Antargaz en de andere merkhouders. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Antargaz belang bij een eerlijk speelveld en daarmee bij nakoming van de in artikel 2.1 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst overeengekomen verplichting door [gedaagde].
4.8 De voorzieningenrechter overweegt voorts dat voor de vordering tot nakoming geen ingebrekestelling of verzuim is vereist. De bevoegdheid om nakoming te vorderen is immers niet een gevolg van wanprestatie, maar bestaat al voordat de schuldenaar in verzuim raakt. Gelet op dit een en ander acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat de vordering in een bodemprocedure zal slagen. De vordering wordt toegewezen