IEF 18213

AB InBev krijgt geen inzage in bedrijfsgeheimen Heineken ogv 843a Rv

Rechtbank Den Haag 1 februari 2019, IEF 18213; ECLI:NL:RBDHA:2019:853 (Anheuser-Busch tegen Heineken) Octrooizaak. Inzagevordering 843a Rv. Afwijzing. De voorzieningenrechter oordeelt dat een kort gedingprocedure zich in dit geval niet leent voor het toestaan van inzage. De inzage ziet op reële bedrijfsgeheimen van Heineken. Een eenmaal verleende inzage is niet terug te draaien. Daar staat tegenover dat er een serieuze, niet te verwaarlozen, kans is dat het octrooi van Anheuser ongeldig is en dat de inbreukredenering van Anheuser niet opgaat. Bovendien had Anheuser sneller kunnen reageren. De inzage wordt daarom geweigerd, behalve met betrekking tot in beslag genomen monsters van “bag-in-containers”. Anheuser dient de inzage in een bodemprocedure te vorderen, waarbij de bodemrechter eerst kan beoordelen of het octrooi geldig is, of de inbreukredenering van Anheuser opgaat en vervolgens of inzage wel nodig is.

4.4 De voorzieningenrechter realiseert zich dat voor wat betreft inzage tot technisch inbreukbewijs een relatief lage drempel pleegt te worden aangelegd7 en er over de hoogte van die drempel ten aanzien van de geldigheid van het octrooi door de Hoge Raad vragen aan het Hof van Justitie waren gesteld (welke vragen helaas vooralsnog niet beantwoord zullen worden omdat de betreffende zaak is ingetrokken, zo begrijpt de voorzieningenrechter). De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat die lage drempel in een kort geding tot inzage (in een reëel bedrijfsgeheim) geen opgeld doet waar het gaat om de geldigheid noch om de interpretatie door een octrooihouder van de octrooiconclusies voor wat betreft de te verlenen beschermingsomvang. Voor wat betreft de geldigheid, zij gemakshalve verwezen naar hetgeen AG Van Peursem aanvoert in zijn conclusie bij Synthon/Astellas (uitmondend in nr. 4.16). Bij een serieuze, niet te verwaarlozen kans op een ongeldig octrooi is er geen reden om nu al inzage te verlenen. Als de octrooihouder het voorts van een moeizame interpretatie moet hebben om de inbreuk te motiveren, zelfs als het door hem gestelde technische feit dat hij na inzage hoopt te kunnen bewijzen vervuld zou zijn, is dat een factor die in voormelde belangenafweging evenzeer een rol kan en moet spelen. Ook hiervoor doet de bewijsnood als reden voor een lage drempel geen opgeld. Concluderend, als er een serieuze, niet te verwaarlozen kans is dat het octrooi ongeldig is of aannemelijk is dat de conclusie-/beschermingsomvang interpretatie van de octrooihouder het niet haalt in een bodemprocedure (ervan uitgaande dat het door hem gezochte bewijs geleverd zou worden), zal in kort geding de inzage doorgaans moeten worden geweigerd. Een octrooihouder zal dan eerst dat octrooi of die interpretatie in een bodemprocedure ten toets dienen te leggen, waarna het aan de bodemrechter is om - indien nodig - alsnog de stap te zetten tot inzage. Dit zal eerst anders zijn indien er geen reëel of onvoldoende belangrijk bedrijfsgeheim door de beweerdelijke inbreukmaker aannemelijk wordt gemaakt.

4.22 Naar voorshands oordeel is er ten eerste een gerede kans dat de bodemrechter zal oordelen dat de door ABI genoemde additieven in de Brewlock dan wel de Blade vaten geen additieven zijn in de zin van conclusie 1 van het octrooi. De enkele omstandigheid dat de in de Heineken vaten opgenomen additieven mogelijk een invloed hebben op de absorptie van infrarood stralen, waarop ABI wijst, is onvoldoende. Waar het immers bij een redelijke lezing van conclusie 1 (en overige ingeroepen conclusies) om gaat is dat het toegevoegde additief ervoor zorgt (“mogelijk maakt”) dat de binnen- en buitenwand gelijktijdig hun respectievelijke blaastemperaturen bereiken. Dat het de door haar genoemde additieven zijn die daarvoor zorgen (en niet iets anders, zoals herhaald verwarmen en koelen) is op geen enkele wijze door ABI onderbouwd. Integendeel, uit de door Heineken c.s. uitgevoerde zogenaamde “[vertrouwelijk]” komt naar voren dat de buitenlaag op blaastemperatuur komt terwijl de binnenlaag dat bij lange na nog niet is. Wat Heineken c.s. vervolgens doet, [vertrouwelijk ]. Het betreft hier derhalve naar voorlopig oordeel eerder een mechanisch/fysische manier om het probleem op te lossen (ook Thiele bespreekt overigens al het verwarmen en vervolgens koelen, zie r.o. 2.8.2) dan de geoctrooieerde chemische manier door toevoeging van een (hitte-absorberend) additief (in de binnenlaag9) dat zorgt voor het gelijktijdig bereiken van de blaastemperatuur. In dit licht is ook de stelling van ABI dat dit in één oven zou gebeuren (zoals de ingeroepen conclusies vereisen) aan gerede twijfel onderhevig, omdat Heineken c.s. in feite [vertrouwelijk ]. Dit een en ander strookt voorts met het door Heineken c.s. uitgevoerde experiment dat aantoont dat het met haar machine mogelijk is om een meerlaagse preform bestaande uit enkel PET, zonder derhalve enige toevoeging, tot een goed fust te blazen. Aan de kritiek die ABI op dat experiment heeft, onder meer dat aan de binnenlaag toch enig kobaltzout zou zijn toegevoegd, gaat de voorzieningenrechter voorbij. ABI heeft niet onderbouwd gesteld dat dat zout in die hoeveelheid een (noemenswaardige) invloed heeft op de opwarmsnelheid. Tot slot is van belang dat Heineken c.s. voor de aanwezigheid van de door IKV gevonden mogelijke additieven in de binnenlaag toereikende verklaringen heeft gegeven die niets van doen hebben met opwarmsnelheid.