IEF 18667

Aanvraag tot inschrijving Benelux-merk Beauty Award te kwader trouw

Rechtbank Den Haag 24 juli 2019, IEF 18667 ECLI:NL:RBDHA:2019:7524 (Riberg tegen BTP) Intellectueel Eigendom. Riberg staat aan het hoofd van een groep vennootschappen die vakbladen uitgeven. BTP is een belangenvereniging gericht op de schoonheidsbranche. Het geschil betreft Benelux-merk Beauty Award, een logo, een handelsnaam en een domeinnaam na het faillissement van één van twee partijen die het logo, de handelsnaam en de domeinnaam samen gebruikten. Logo en domeinnaam zijn geen vermogensbestanddelen die in de faillissementsboedel vallen. Het aandeel van failliet in de handelsnaam valt wel in de faillissementsboedel. Bij gebreke van de in dit geval contractueel vereiste toestemming van de gewezen samenwerkingspartner voor verkoop ervan, ontbrak een geldige titel voor overdracht ervan in het kader van de doorstart van de failliet. Aanvraag tot inschrijving van het Benelux-merk Beauty Award door niet-failliete samenwerkingspartner na het faillissement is te kwader trouw gedaan, omdat het de aanvrager op grond van de nog geldende contractuele bepalingen met de failliet niet vrijstond die aanvraag eigenmachtig in eigen naam te doen.

4.19. Toen IABC failliet ging gebruikten IABC en BTP het BA-logo samen in het kader van hun samenwerking. Gezien het, ook na het faillissement van IABC nog altijd geldende artikel 1 lid 3 van de opvolgende samenwerkingsovereenkomsten, stond het BTP niet vrij eigenmachtig, zonder toestemming van IABC, het BA-logo in haar eigen naam als merk te deponeren (zie onder 4.6). BTP wist of moet dit in ieder geval hebben geweten. Desalniettemin heeft BTP op 18 november 2016 naar eigen zeggen “het roer overgenomen”. Zij heeft toen de samenwerkingsovereenkomst opgezegd – terwijl het door BTP in dat verband ingeroepen faillissement van IABC daarvoor geen grondslag bood – en is zelf voortgegaan met de organisatie van de Beauty Award en registratie van het BA-logo als merk aangevraagd. De aanvraag diende daarmee geen ander doel dan het zeker stellen dat BTP – en niet een eventuele derde met wie de curator in gesprek was – alleen rechthebbende van het BA-merk was, in een situatie dat het BTP nog altijd niet vrijstond eigenmachtig het BA-logo op haar eigen naam als merk te laten registreren. De conclusie is daarmee dat de aanvraag te kwader trouw is gedaan. Wat BTP aanvoert over haar voor-voorgebruik van het BA-logo doet daar niet aan af. Nog daargelaten dat het eerste gebruik niet (langer) doorslaggevend is bij de beoordeling van de kwader trouw, is het BA-logo nooit gebruikt door BTP (of IABC) vóórdat zij gingen samenwerken en is evenmin sprake van enig relevant gebruik in het handelsverkeer door BTP van de naam Beauty Award vóórdat zij met IABC ging samenwerken (zie onder 4.8).