IEF 16815

Vragen aan HvJ EU over de auteursrechtelijk bescherming van smaak en wat de eisende partij dient te stellen

Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2017, IEF 16815; IEFbe 2184; ECLI:NL:GHARL:2017:6698; C-310/17 (Levola tegen Smilde) Auteursrecht op smaak. Levola stelt dat het product 'Witte Wievenkaas' en auteursrechtelijke verveelvoudiging vormt van de smaak van haar 'Heks'nkaas'. De rechtbank [IEF 15013] heeft de vraag of smaak van een voedingsmiddel auteursrechtelijk beschermd kan worden in het midden gelaten omdat Levola had nagelaten de elementen van de smaak leiden tot bescherming van het EOK/PS. Minbuza. Het Hof stelt hiertoe prejudiciële vragen:

1.(a) Verzet het Unierecht zich ertegen dat de smaak van een voedingsmiddel - als eigen intellectuele schepping van de maker - auteursrechtelijk beschermd wordt?

In het bijzonder:

(b) Staat aan auteursrechtelijk bescherming in de weg dat het begrip "werken van letterkunde en kunst" in artikel 2 lid 1 van de Berner Conventie, die voor alle lidstaten van de Unie verbindend is, weliswaar omvat "alle voortbrengselen op het gebied van letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukking zij", maar dat de in deze bepaling genoemde voorbeelden enkel betrekking hebben op creaties die met het oog en/of het gehoor kunnen worden waargenomen?
(c) Staan de (mogelijke) instabiliteit van een voedingsmiddel en/of het subjectieve karakter van de smaakervaring eraan in de weg om de smaak van een voedingsmiddel als auteursrechtelijk beschermd werk aan te merken?
(d) Staat het stelsel van uitsluitende rechten en beperkingen, zoals geregeld in de artikelen 2 tot en met 5 van de Richtlijn 2001/29/EG, aan de auteursrechtelijke bescherming van de smaak van een voedingsmiddel in de weg?

2. Indien het antwoord op vraag 1(a) bevestigend (gewijzigd bij ECLI:NL:GHARL:2017:6698 vanwege kennelijke schrijffout) ontkennend luidt:
(b) Welke vereisten gelden voor auteursrechtelijke bescherming van de smaak van een voedingsmiddel?
(a) Rust de auteursrechtelijke bescherming van de smaak enkel op de smaak als zodanig of (tevens) op de receptuur van het voedingsmiddel?
(c) Wat dient een partij die in een (inbreuk)procedure stelt een auteursrechtelijk beschermde smaak van een voedingsmiddel te hebben gecreëerd, te stellen? Kan deze partij ermee volstaan het voedingsmiddel in de procedure aan de rechter voor te leggen opdat de rechter, door te proeven en te ruiken, zich een eigen oordeel erover vormt of de smaak van het voedingsmiddel voldoet aan de eisen voor auteursrechtelijke bescherming? Of dient de eisende partij (al dan niet mede) een omschrijving te geven van de creatieve keuzes in de smaakcompositie en/of de receptuur op grond waarvan de smaak als eigen intellectuele schepping van de maker kan worden aangemerkt?
(d) Hoe dient de rechter in een inbreukprocedure vast te stellen of de smaak van het voedingsmiddel van de gedaagde partij zodanig overeenstemt met de smaak van het voedingsmiddel van de eisende partij dat sprake is van auteursrechtinbreuk? Is hierbij (mede) bepalend dat de totaalindrukken van beide smaken overeenstemmen?

Partijen zijn na geboden [ECLI:NL:GHARL:2016:4229] comparitie niet tot minnelijke schikking gekomen.