IEF 17535

L'Oréal maakt onvoldoende aannemelijk dat NRS haar gedecodeerde parfumproducten verhandelt

Rechtbank Den Haag 21 februari 2018, IEF 17535; ECLI:NL:RBDHA:2018:2042 (L'Oréal tegen NRS Trading Company) Merkenrecht. Parallelimport. L’Oréal heeft, na ontvangst van drie testaankopen van een parfum outlet gedreven door A, geconstateerd dat de verpakkingen van deze producten waren gedecodeerd. De verpakkingen waren geopend geweest, de oorspronkelijke (streepjes)codes waren uit de kartonnen verpakking weggesneden en vervangen door andere codes. A erkent dat hij gedecodeerde en aangetaste L'Oréal-producten heeft verhandeld. In een bodemprocedure gevoerd met A hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin A de aankoopfacturen verstrekt van de door hem verkochte of op voorraad gehouden gedecodeerde producten. L'Oréal stelt dat NRS gedecodeerde parfumproducten voorzien van haar merk verhandelt en derhalve merkinbreuk maakt. L’Oréal maakt deze inbreuk onvoldoende aannemelijk tegenover het gemotiveerde verweer van NRS. De vordering wordt afgewezen. 

4.9. De rechtbank wijst erop dat NRS het voorgaande reeds in haar conclusie van antwoord van 13 juli 2016 naar voren heeft gebracht. Gelet hierop had van L’Oréal een uitgebreide reactie mogen verwacht, waarin onder meer nader zou zijn ingegaan op de positie van [B] en waarin ten minste nader uiteen zou zijn gezet hoe en wanneer de bestelling van de op factuur 1520/01 vermelde producten is gedaan, hoe en wanneer deze zijn geleverd en hoe en wanneer de betaling daarvan heeft plaatsgevonden. L’Oréal heeft dit nagelaten. Zij heeft ermee volstaan haar stellingen nader te onderbouwen met de (aanvullende) verklaringen van [B] (vgl. r.o. 2.12) en [A] (vgl. 2.13). Deze summiere, door de advocaat van L’Oréal opgestelde verklaringen houden echter niet meer in dan een niet onderbouwd ‘welles’ en roepen eerder nieuwe vragen op, bijvoorbeeld hoe [B] “op grond van de bij de Parfum Outlet aangetroffen boekhouding en van informatie verstrekt door de heer [A] ” de gedecodeerde producten van de testaankopen twee jaar na dato heeft kunnen koppelen aan factuur 1520/01. De conclusie moet daarmee dan ook zijn dat L’Oréal de door haar gestelde levering van gedecodeerde parfumproducten aan [A] tegenover de uitgebreide en deugdelijk gemotiveerde betwisting door NRS onvoldoende heeft onderbouwd om deze zelfs maar aannemelijk te maken. Sterker nog: naar het oordeel van de rechtbank moet het er op grond van al het voorgaande zelfs voor worden gehouden dat de ingebrachte factuur 1520/01 inderdaad niet authentiek is en dat aan de verklaringen van [B] en [A] geen waarde kan worden gehecht.

4.14. Bij deze stand van zaken staat dan ook niet méér vast dan dat ANS via haar webshop gedecodeerde parfumproducten heeft verhandeld en dat NRS één van de zes vaste leveranciers van ANS was. Dit is onvoldoende om de voor exhibitie vereiste drempel van aannemelijkheid van inbreuk te halen.

4.15. Ook op dit punt is de rechtbank van oordeel dat L'Oréal tegenover de stellige betwisting door NRS te weinig concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld om tegenover de stellige betwisting door NRS de drempel voor exhibitie te kunnen slechten. De omstandigheid dat NRS lage prijzen hanteert, de mededelingen op haar website en het feit dat zij een EAO-certificaat beschikt zijn in dit verband onvoldoende. Daar komt bij dat ook niet is gesteld of gebleken dat L'Oréal in de markt producten heeft aangetroffen die zonder haar toestemming van buiten de EER zijn geïmporteerd, laat staan dat die afkomstig waren van NRS.

4.16. Slotsom uit al het voorgaande is dat L’Oréal de door haar gestelde inbreuken tegenover het gemotiveerde verweer van NRS onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt om de gevorderde inzage te rechtvaardigen. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook indien hetgeen L'Oréal ten aanzien van de verschillende inbreuken naar voren heeft gebracht in onderlinge samenhang wordt bezien. Dit betekent dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.