IEF 17021

Inbrengen vervalst rapport in procedure, is schending auteursrecht

Vzr. Rechtbank Rotterdam 30 mei 2017, IEF 17021; ECLI:NL:RBROT:2017:4087 (executiegeschil dwangsommen verbeurd) Mediarecht. Executiegeschil over de vraag of dwangsommen zijn verbeurd. Gedaagden hebben in het verleden gezamenlijk een advocatenkantoor geëxploiteerd in de vorm van een maatschap. Het Hof gebiedt eisers en website om de op internet geplaatste publicaties te (laten) verwijderen en voorts alle overige publicaties van internet te (laten) verwijderen voor zover daarin uitlatingen worden gedaan over het advocatenkantoor of gedaagde die het beeld oproepen dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van bedrog, oplichting, valsheid in geschrifte en/of het aannemen van een valse hoedanigheid en/of samenspanning. Dit op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere keer met een maximum van € 30.000. Met de inbreng van een vervalst rapport heeft gedaagden c.s. het auteursrecht van eisers geschonden. Wie verantwoordelijk is geweest voor het produceren van de afwijkende versie(s) en daarmee samenhangend de vraag of gedaagden c.s. het auteursrecht van eisers heeft geschonden, kan met de voorliggende stukken vooralsnog niet worden vastgesteld. Eisers c.s. vordert zonder succes de staking van inning van dwangsommen.

4.2. Vervolgens ligt de vraag voor of [eisers] c.s. dwangsommen heeft verbeurd. Beoordeeld moet worden of de bodemrechter, indien in het executiegeschil een bodemprocedure wordt gevoerd, tot het oordeel zal komen dat de dwangsommen zijn verbeurd. De voorzieningenrechter zal daarbij een inschatting moeten maken van de kans dat de executant in een eventuele bodemprocedure er in zal slagen te bewijzen dat de geëxecuteerde niet (volledig) aan de veroordeling in het arrest van 28 mei 2013 heeft voldaan (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 22 juli 2014, ECLI: NL:GHARL: 2014:5830).

4.4. Het beroep van [eisers] c.s. op rechtsverwerking kan niet slagen.Van rechtsverwerking kan slechts sprake zijn indien [gedaagden] c.s. zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:248 lid 2 BW onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Daarvan is geen sprake. Uit de brief van [persoon 2] van 13 februari 2012 is niet gebleken dat aan [gedaagden] c.s. is gevraagd of er nog andere handelingen moeten worden verricht, zodat aan het feit dat [gedaagden] c.s. niet op die brief heeft gereageerd niet de door [eisers] c.s. voorgestane conclusie kan worden verbonden. Bovendien zijn [eisers] en [website] ook na die brief diverse malen middels deurwaardersexploot gesommeerd om alsnog te voldoen aan het arrest, zodat niet valt in te zien dat bij hen het gerechtvaardigd vertrouwen kan zijn gewekt dat [gedaagden] c.s. haar aanspraak niet (meer) geldend zou maken.

4.5. Het is daarom voldoende aannemelijk dat [gedaagden] c.s. erin zal slagen in de bodemprocedure aan te tonen dat [eisers] en [website] niet volledig hebben voldaan aan het arrest van 28 mei 2013 en als gevolg daarvan dwangsommen hebben verbeurd.

4.6. Nu [eisers] c.s. geen overige feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die wijzen op misbruik van (executie)bevoegdheid ex artikel 3:13 lid 2 BW aan de kant van [gedaagden] c.s., ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de tenuitvoerlegging van het betreffende arrest te schorsen of de reeds gelegde beslagen op te heffen. Dat betekent dat de vorderingen van [eisers] c.s. worden afgewezen.