IEF 17331

In China gevestigd bedrijf dient zekerheidsstelling voor de proceskosten te geven

Bunch-o-Balloons

Rechtbank Den Haag 6 december 2017, IEF 17331 (Tinnus c.s. tegen Toi-Toys). Zekerheidsstelling. Proceskosten. Tinnus c.s. stelt inbreuk op haar model- en auteursrechten, Toi-Toys beroept zich op nietigheid van deze rechten. In dit incident vordert Toi-Toys zekerheidsstelling voor de proceskosten alvorens zij verder gaat in de hoofdzaak. Ten aanzien van Tinnus (gevestigd in de VS) wordt de vordering afgewezen gezien het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen Nederland en de VS waarin rechtspersonen van de VS zijn vrijgesteld van het storten van een waarborgsom voor de proceskosten. Ten aanzien van Zuru (gevestigd in China) wordt de vordering toegewezen. Zij heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd. Het geschil is in een eerder kort geding [IEF 17111] aangemerkt als 'complex' in de zin van de indicatietarieven dus er dient zekerheid gesteld te worden voor het gewenste bedrag van € 35.618.

4.2. Onder verwijzing naar de uitzondering in artikel 224 lid 2 onder a Rv heeft Tinnus zich tegen de gevorderde zekerheidstelling verweerd met een beroep op het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika (Tractatenblad 1956, 40), meer specifiek artikel V lid 1 van dit verdrag in verbinding met artikel 5 van het bij het verdrag behorende Protocol. 

4.3. Dit verweer slaagt. Zoals Tinnus terecht aanvoert, vloeit uit deze bepalingen voort dat onderdanen en rechtspersonen van de Verenigde Staten van Amerika in Nederland vrijgestetd zijn van het storten van een waarborgsom voor de proceskosten. Nu Tinnus is gevestigd in de Verenigde Staten is deze verdragsbepaling op haar van toepassing. Ten aanzien van Tinnus dient de incidentele vordering daarom te worden afgewezen..

4.4. Ten aanzien van Zuru ligt dit anders. Zuru is gevestigd in China, zodat de uitzonderingen van artikel 224 lid 2 onder a en b Rv niet van toepassing zijn. Bij gebreke van enig inhoudelijk verweer van Zuru zijn er daarnaast ook geen aanknopingspunten voor de toepasselijkheid van de uitzonderingen onder c en d. Zuru zal dan ook zekerheid dienen te stelten voor de proceskosten. 

4.5. Ten aanzien van de hoogte van de zekerheid en de vorm waarin deze zal moeten worden gesteld, overweegt de rechtbank als volgt. In een eerder gevoerd kort geding tussen partijen met zaak-/rolnummer C/091539374/KG ZA 17-1217 is het tussen hen gerezen geschil door de voorzieningenrechter als ‘complex’ in de zin van de indicatietarieven’ aangemerkt. Nu in deze bodemzaak dezelfde materie aan de orde is, ziet de rechtbank vooralsnog geen aanleiding om daarover thans anders te denken. Het door Toi-Toys gewenste bedrag van € 35.6 1 8,- (inctusief griffierecht) strookt met deze kwalificatie, zodat de rechtbank zal bepalen dat Zuru voor dit bedrag zekerheid zal dienen te stelten. Bij gebreke van enige argumentatie die tot een ander oordeel zou kunnen leiden, zal de rechtbank voorts bepalen dat deze zekerheidheidstelling zal dienen te geschieden door storting van dit bedrag op de derdenrekening van de advocaat van Toi-Toys. Teneinde executiegeschillen te voorkomen zal de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, worden bepaald op vier weken na datum van dit vonnis. De termijn voor het indienen van de conclusie van antwoord zal worden gesteld op zes weken na de datum van zekerheidsstelling, zoals door Toi-Toys gevorderd.