IEF 16161

Geen verstrekking gegevens blogger, omdat artikel niet onrechtmatig is

Hof Den Haag 26 juli 2016, IEF 16161 (Arthur van M. tegen Google)
Mediarecht. Op het misdaadblog is een artikel geplaatst met de titel "Peter de Vries mag gestolen materiaal niet uitzenden", waarover de kort gedingrechter besloot dat een samenvattend artikel over openbaar vonnis niet onrechtmatig is [IEF 15267], dat vonnis wordt bekrachtigd. De aanbieder van de weblogdienst BLOGGER hoeft het artikel van de blogger niet te verwijderen en hoeft geen gegevens van de blogger te verstrekken omdat de publicatie van het artikel niet onrechtmatig is. Beroep op de journalistieke initialenregel (leidraad voor de journalistiek) of de anonimiseringsrichtlijn (van de rechtspraak), het portretrecht, of zelfs de Wbp leiden niet tot een andere uitkomst. Zowel een hosting provider als een ‘commercially-run Internet news portal’ kan niet worden verplicht een rechtmatig artikel te verwijderen of gegevens te verstrekken over de auteur van een rechtmatig artikel.

De afwegingen:

4.4.
Ten eerste dient het Artikel niet, althans niet louter de bevrediging van publieke nieuwsgierigheid. Het Artikel beschrijft de uitkomst van het kort geding tegen De Vries en de strafbare feiten waarvan De Vries appellant in zijn uitzending beschuldigt. Zowel die rechtszaak als die strafbare feiten kunnen onderwerp zijn van een debat van algemeen maatschappelijk belang. Dat brengt mee dat de vrijheid van de blogger om het Artikel te publiceren, zwaar weegt.

4.5.
Ten tweede vinden de beschuldigingen die De Vries in zijn uitzending uit over appellant en die het Artikel beschrijft, duidelijk steun in het beschikbare feitenmateriaal. De beschuldiging is immers gebaseerd op filmbeelden die de feiten tonen. De authenticiteit van die beelden staat niet ter discussie. Dat de gefilmde feiten de beschuldiging van strafbare feiten kunnen dragen, wordt bovendien onderstreept door het gegeven dat de strafrechter appellant inmiddels op basis van die feiten heeft veroordeeld. Dat de kwalificatie die de strafrechter aan de feiten heeft gegeven (kort gezegd: poging tot het uitlokken van medeplegen van moord), niet volledig overeenstemt met de beschuldiging (opdracht tot moord), maakt dat niet anders, gelet op de omstandigheid dat i) beide kwalificaties veronderstellen dat een ander is aangezet om een moord te plegen, ii) de blogger de ruimte moet worden gegund om die – hoe dan ook ernstige – feiten aan de kaak te stellen, en iii) het Artikel zich niet (uitsluitend) op juristen richt.

4.6.
Ten derde bevat het Artikel voornamelijk informatie die ook door anderen is gepubliceerd. Zo heeft Google laten zien dat het op 14 april 2012 gepubliceerde deel van het Artikel is gebaseerd op een ANP-bericht en een vrijwel letterlijke kopie is van een bericht in het Parool en dat ook in vele andere publicaties aandacht is besteed aan de uitspraak van de rechter in het kort geding tegen De Vries. De bij de update van 27 mei 2012 toegevoegde naam ‘ […] ’ en portretfoto zijn geopenbaard in de uitzending van De Vries, die op diezelfde dag had plaatsgevonden.

4.7.
Ten vierde brengt de publicatie van de beschuldiging weliswaar schade toe aan de reputatie van appellant, maar, volgens vaste rechtspraak, kan geen beroep worden gedaan op het recht op bescherming van reputatie als het verlies van goede naam een voorzienbaar gevolg is van het eigen gedrag, zoals het plegen van een strafbaar feit (EHRM 27 oktober 2004, 55480/00, EHRC 2004/90, Sidabras, r.o. 49).

4.8.
Ten vijfde heeft Google naar voorlopig oordeel terecht aangevoerd dat de toon van het Artikel zakelijk is. Die zakelijke inkleding van de beschuldiging brengt mee dat het Artikel de belangen van appellant niet verder aantast dan de ernst van de feiten en de kracht van de onderbouwing rechtvaardigen.

4.9.
Ten zesde berust de suggestie van appellant dat het Artikel een onjuiste indruk wekt, op een verkeerde lezing van het artikel. Het bewaar van appellant tegen de zinnen ‘Peter de Vries mag gestolen materiaal niet uitzenden. Peter R. de Vries mag niet alle beelden van zijn reportage over een voorgenomen huurmoord uitzenden. Dat heeft de rechter vandaag bepaald’, gaat ervan uit dat die zinnen bij de lezer de indruk wekken dat het Artikel de uitkomst van een rechtszaak beschrijft die appellant had aangespannen. Die veronderstelling is ongegrond. Het Artikel beschrijft duidelijk en uitdrukkelijk dat het gaat om een kort geding dat is aangespannen door degene die een gesprek met appellant had gefilmd en die niet wilde dat De Vries die filmbeelden in zijn uitzending gebruikte zonder daarvoor te betalen.

4.10.
Ten zevende is er in dit geval niet zoveel tijd verstreken sinds de datum van de feiten waarvan appellant wordt beschuldigd en/of de strafrechtelijke veroordeling voor die feiten dat het belang van appellant bij resocialisatie zwaarder moet wegen dan de uitingsvrijheid. Integendeel, het feit dat het hoger beroep in de strafzaak tegen appellant nog loopt, onderstreept dat er op dit moment nog een actueel maatschappelijk belang bestaat bij een publicatie over deze feiten.

4.26.
Met zijn grieven 6 en 7 betoogt appellant dat Google geen hosting provider is in de zin van artikel 6:196c lid 4 van het Burgerlijk Wetboek, maar een ‘commercially-run Internet news portal’ in de zin van het Delfi-arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 16 juni 2015, 64569/09, Mediaforum 2015/19). Deze grieven kunnen niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Zowel een hosting provider als een ‘commercially-run Internet news portal’ kan niet worden verplicht een rechtmatig artikel te verwijderen of gegevens te verstrekken over de auteur van een rechtmatig artikel.