IEF 18849

Vorderingen wegens wanprestatie hebben geen kans op slagen

Rechtbank Rotterdam 17 september 2019, IEF 18849 (A tegen B) Kort geding. A is actief als DJ en producer onder het label Peacock Records. B houdt zich bezig met boekingen en is distributeur van muziek en merchandise. A en B hebben een exclusief artiestencontract ten behoeve van Peacock Records gesloten. In het onderhavige geschil stelt A dat B tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, voortvloeiende uit het artiestencontract. Vervolgens heeft A de overeenkomst tussen hem en B (gedeeltelijk) ontbonden, B wijst echter de ontbinding van de hand. Tevens heeft A de exclusiviteitsbepalingen en het beding dat ziet op het exclusieve eeuwigdurende exploitatierecht schriftelijk bij brief vernietigd. Het spoedeisend belang van het kort geding is twijfelachtig en de stellingen van partijen zijn slechts gebaseerd op aannames en vermoedens waarvan de gegrondheid niet aannemelijk is gemaakt.

Dit leidt ertoe dat met betrekking tot de vorderingen niet valt te bepalen wie van de partijen het gelijk aan zijn of haar zijde heeft. Er zou daarvoor in een eventuele bodemprocedure, na gespecificeerde onderbouwing van de standpunten van partijen, waarschijnlijk nog nader onderzoek nodig zijn. Voor bewijslevering en onderzoek, onder andere in vorm van het horen van getuigen en het laten opstellen van een deskundigenrapport, leent een kort geding zich niet. Ten overvloede is hierbij nog opgemerkt dat het aan de partijen is om de keuze te maken hoe zij nu verder met het geschil wensen om te gaan. In deze context is de mogelijkheid van mediation genoemd.

5.5. In het kader van dit kort geding valt met betrekking tot het in conventie gevorderde dus niet te bepalen wie van partijen het gelijk aan zijn of haar zijde heeft. Daarvoor is in een eventuele bodemprocedure, na voldoende concrete en gespecificeerde onderbouwing van vorderingen en verweren, waarschijnlijk nader onderzoek nodig, zulks in de vorm an bewijslevering (denk aan: het horen van getuigen of het laten opstellen van een deskundigenrapport). Daarvoor leent een kort geding zich niet. 

5.6. Ondanks het niet in geschil zijnde op bepaalde punten feitelijk nalatige handelen van B acht de voorzieningenrechter niet voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een wanprestatie aan de zijde B die primair ontbinding dan wel van omstandigheden die subsidiair vernietiging van (gestelde onredelijk bezwarende delen van) de Overeenkomst rechtvaardigen, noch dat de gevorderde ingrijpende voorzieningen werkelijk een spoedeisend karakter hebben. In verband met de als twijfelachtig beoordeelde spoedeisendheid is van belang dat de nog resterende looptijd van de Overeenkomst, bij tijdige opzegging, beperkt is tot juni 2020. Voor zover A de spoedeisendheid grondt op de financiële situatie waarin B verkeert, baseert hij zich kennelijk enkel op vermoedens en aannames. Een en ander is door B echter uitdrukkelijk betwist. Voorshands is de gegrondheid van de vermoedens niet aannemelijk gemaakt. 

5.7. Ten overvloede acht de voorzieningenrechter van belang op te merken dat het aan partijen is om de keuze te maken hoe zij nu verder met het bestaande geschil wensen om te gaan. Dat sprake is van een weinig werkbare situatie tussen hen is wel gebleken. Naast de mogelijkheid van het voeren van een bodemprocedure kan ook gedacht worden aan de kostenbesparende optie om in onderling overleg tot een oplossing te komen. Ter zitting is de mogelijkheid van mediation reeds aan de orde gesteld.