IEF 20190

Voorwaarden voor ontvankelijkheid in nietigheidsprocedure

Gerecht EU 15 september 2021, IEF 20190, IEFbe 3278; ECLI: ECLI:EU:T:2021:587 (Residencial Palladium tegen EUIPO) Palladium Gestión is de houder van het beeldmerk Palladium Hotels & Resorts. In 2006 heeft Residencial Palladium bij het EUIPO een verzoek ingediend tot nietigverklaring van dit merk. Dit verzoek werd later dat jaar weer ingetrokken. In 2017 werd er een tweede aanvraag tot nietigverklaring ingediend op grond van de absolute en relatieve nietigheidsgrond van verordening nr. 40/94. Dit verzoek is niet-ontvankelijk verklaard. Het Gerecht oordeelt in deze zaak dat de kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Wanneer hetzelfde oudere recht wordt ingeroepen ter ondersteuning van een nieuw verzoek tot nietigverklaring met hetzelfde doel en dezelfde oorzaak en waarbij dezelfde partijen betrokken zijn, is dit nieuwe verzoek niet direct niet-ontvankelijk. Dit is alleen zo wanneer het oorspronkelijk verzoek heeft geleid tot een beslissing die definitief is geworden. Het Gerecht vernietigt de beslissing van de kamer van beroep wegens schending van de motiveringsplicht. 

 65. In die omstandigheden heeft het Gerecht overeenkomstig de in de punten 62 tot en met 64 hierboven aangehaalde rechtspraak beslist om ambtshalve te onderzoeken of de kamer van beroep haar motiveringsplicht was nagekomen en heeft het partijen in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om zich schriftelijk over deze kwestie uit te spreken. In het bijzonder werd verzoekster en het EUIPO verzocht om precies aan te geven op welk ouder recht of welke oudere rechten de eerste en de tweede vordering tot nietigverklaring waren gebaseerd. Interveniënte heeft zich in de memorie van antwoord over deze vraag uitgesproken. Bovendien is partijen verzocht om hun opmerkingen in te dienen over het eventuele ambtshalve onderzoek door het Gerecht van een schending door de kamer van beroep van de in artikel 94 van verordening 2017/1001 neergelegde motiveringsplicht. In dit verband is hun verzocht om aan te geven of zij van mening waren dat op basis van de bestreden beslissing kon worden vastgesteld welke oudere rechten waren ingeroepen tot staving van de eerste en de tweede vordering tot nietigverklaring en of het recht of de rechten die tot staving van de tweede vordering tot nietigverklaring waren ingeroepen, eveneens waren ingeroepen tot staving van de eerste vordering tot nietigverklaring.