IEF 18545

Verwijdering onrechtmatige uitlatingen Facebook

Facebook

Vzr. Rechtbank Den Haag 21 juni 2019, IEF 18545, IT 2807; ECLI:NL:RBDHA:2019:6271 (Haagse wijk- en woonzorg tegen X) Kort geding. Recht op vrijheid van meningsuiting versus recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Haagse wijk- en woonzorg (HWW) is een aanbieder van zorg. Gedaagde is de zus van een dame die tot haar overlijden gedurende acht maanden in een verzorgingshuis van HWW heeft gewoond. Gedaagde heeft na de dood van haar zus negatieve berichten en filmpjes op Facebook gepubliceerd. Gedaagde stelt dat ze hiermee misstanden in de (verpleeghuis)zorg aan de kaak wil stellen. In ieder geval een aantal van de uitlatingen die betrekking hebben op eiseres is onjuist of ongefundeerd en heeft een beledigend karakter. Dergelijke uitlatingen worden op geen enkele manier gerechtvaardigd door het gestelde doel dat gedaagde met het plaatsen van de berichten en de filmpjes nastreeft. Verwijten en beschuldigingen zijn als vaststaande feiten op een voor iedereen toegankelijke Facebookpagina gepubliceerd. De grenzen van het betamelijke zijn overschreden en er is onrechtmatig gehandeld. Dergelijke ongefundeerde beschuldigen kunnen een negatief effect hebben op de reputatie en de bedrijfsvoering van HWW.

4.2. Uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling door [gedaagde] is aangevoerd, leidt de voorzieningenrechter af dat [gedaagde] door middel van de berichten en filmpjes op haar Facebookpagina – in navolging, dan wel ter ondersteuning van het manifest waarin wordt opgeroepen tot verbetering van de ouderenzorg – misstanden in de (verpleeghuis)zorg aan de kaak wil stellen. Ook indien dit het doel is van haar uitlatingen, welk doel op zichzelf legitiem is, betekent dit niet dat hierbij voor [gedaagde] geen grenzen gelden (vgl. de hiervoor genoemde omstandigheden die bij de belangenafweging een rol spelen). De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] die grenzen in dit geval heeft overschreden. [gedaagde] lijkt dit zelf ook te erkennen, nu zij de filmpjes en berichten waartegen HWW c.s. in deze procedure opkomen en waarvan de inhoud gedeeltelijk in de feiten is weergegeven, althans een groot aantal daarvan, inmiddels heeft verwijderd. Volgens [gedaagde] , zo begrijpt de voorzieningenrechter haar huidige standpunt, had zij niet de namen van artsen en (andere) medewerkers van HWW, waaronder [eiseres sub 2] , moeten noemen. Dit standpunt wordt door de voorzieningenrechter onderschreven. In dit verband acht de voorzieningenrechter van belang dat aannemelijk is dat in ieder geval een aantal van de uitlatingen die betrekking hebben op [eiseres sub 2] (grotendeels) onjuist, althans ongefundeerd is en bovendien een beledigend karakter heeft. Dergelijke uitlatingen worden op geen enkele manier gerechtvaardigd door het gestelde doel dat [gedaagde] met het plaatsen van de berichten en de filmpjes nastreeft.

4.3. Ten aanzien van de verwijten en beschuldigingen aan het adres van HWW, dan wel Zorghuis [X] en/of haar medewerkers overweegt de voorzieningenrechter dat dergelijke verwijten en beschuldigingen voldoende steun dienen te hebben in het feitenmateriaal. Dat is in dit geval niet zo, althans daarvan is in deze kortgedingprocedure onvoldoende gebleken. HWW c.s. heeft de beschuldigingen en verwijten betwist. Zij heeft er onder meer op gewezen dat de geldende protocollen en richtlijnen zijn gevolgd, bijvoorbeeld bij de verzoeken van [mw. A] en haar familie om een ambulance te bellen en om haar op sondevoeding aan te sluiten. Voor zover al uit de door [gedaagde] overgelegde e-mails en berichten van (familieleden) van bewoners van Zorghuis [X] kan worden afgeleid dat bij de verzorging van bewoners fouten zijn gemaakt, betekent dit niet dat dit ook in het geval van [mw. A] zo is geweest, zoals [gedaagde] hartgrondig in haar filmpjes en berichten betoogt. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat met de ongenuanceerde en diffamerende wijze waarop de verwijten en beschuldigingen worden geuit – als ware het vaststaande feiten – op een voor iedereen toegankelijke Facebookpagina, [gedaagde] de grenzen van het betamelijke heeft overschreden en daarmee onrechtmatig handelt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat dergelijke ongefundeerde beschuldigen een negatief effect (kunnen) hebben op de reputatie en de bedrijfsvoering van HWW in het algemeen en het Zorghuis [X] in het bijzonder, met alle gevolgen van dien.

4.4. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval het recht van HWW c.s. op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het recht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting. Dit brengt mee dat de vorderingen onder I en II toewijsbaar zijn. Daarbij wordt opgemerkt dat indien HWW c.s. met het haar vordering onder I ook verwijdering van andere dan de in de producties 3, 7 en 8, bedoelde berichten en filmpjes heeft beoogd, de voorzieningenrechter de vordering op dit punt onvoldoende gespecificeerd acht. De vordering onder I zal dan ook worden toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld. Voor zover [gedaagde] nog heeft willen betogen dat HWW c.s. geen belang meer heeft bij deze vordering, nu de betreffende berichten en filmpjes al verwijderd zijn en [gedaagde] heeft toegezegd deze berichten en filmpjes niet meer terug te zullen plaatsten, wordt [gedaagde] hierin niet gevolgd. Niet duidelijk is geworden of daadwerkelijk alle berichten en filmpjes van haar Facebookpagina zijn verwijderd. Bovendien heeft de toezegging van [gedaagde] geen formele status.