IEF 19765

Vernietiging kunstwerk geen aantasting werk

Rechtbank Midden-Nederland 20 januari 2021, IEF 19765; ECLI:NL:RBMNE:2021:191 (Eiser tegen gemeente Zeist) Eiser is een gepensioneerd beeldend kunstenaar en heeft in 1976 in opdracht van de gemeente een kunstwerk vervaardigd. Het kunstwerk is geplaatst op een plein van een school. In 2016 heeft eiser ontdekt dat het kunstwerk niet meer op zijn plek staat. Het kunstwerk is in 2008 bij de herinrichting van het schoolplein namelijk verwijderd. Eiser vordert veroordeling van de gemeente tot het laten reconstrueren van het kunstwerk, subsidiair een schadevergoeding van € 10.000,00. Volgens eiser heeft de gemeente inbreuk gemaakt op zijn persoonlijkheidsrechten en maakt zij misbruik van bevoegdheid. De gemeente voert het verweer dat eiser geen schade heeft geleden. Geoordeeld wordt dat de totale vernietiging van het werk geen inbreuk kan opleveren op de persoonlijkheidsrechten van eiser. Verder heeft de gemeente een gegronde reden gehad om tot verwijdering van het kunstwerk over te gaan, omdat het kunstwerk al 30 jaar op het schoolplein stond en door het gebruik van kinderen in kwaliteit achteruit is gegaan. Wel had de gemeente eiser ten minste op de hoogte moeten brengen van het besluit. De gemeente heeft onzorvuldig gehandel door dit niet te doen. Toch wordt er geen reden gezien om de schadevergoeding toe te wijzen, omdat eiser niet heeft kunnen aantonen waaruit zijn schade bestaat.

3.7. Het belang van [eiser] bij behoud van het werk is ontegenzeggelijk gelegen in het feit dat het een uniek exemplaar betrof. [eiser] heeft hierover ook aangevoerd dat het werk de uitkomst was van een speciale driedimensionale vormstudie, die is uitgevoerd in kunststof (destijds ook plastiek genaamd). Daarmee is het pleit echter nog niet beslecht. Ook andere relevante (subjectieve) omstandigheden moeten namelijk in de belangenafweging worden meegewogen. Een daarvan is of het werk in kwestie een belangrijk onderdeel vormde van het oeuvre van [eiser] en of [eiser] door het verdwijnen daarvan reputatieschade heeft geleden. De gemeente heeft hierover - kort gezegd - gesteld dat [eiser] en zijn oeuvre geen of nauwelijks bekendheid genieten, wat volgens haar volgt uit het feit dat op internet en social media vrijwel niets over de kunstenaar [eiser] te vinden is en de verdwijning van het werk in 2008 geen enkele rimpeling in de vijver van het voor hem relevante publiek (voor zover dat bestaat) heeft veroorzaakt. Mede gelet op dit verweer van de gemeente had het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [eiser] gelegen om meer inzicht in zijn oeuvre te geven, de reputatie die hij daarmee heeft opgebouwd en de plaats die het werk binnen dat oeuvre/die reputatie innam. Dat heeft [eiser] onvoldoende gedaan. Zo heeft [eiser] weliswaar gesteld dat het werk de enige in zijn soort was voor die tijd en cultuurhistorische waarde bezat, omdat het vooruit liep op ontwerpen die in de beginfase van de digitalisering met behulp van computers zijn gemaakt, maar de juistheid van die stelling heeft hij verder niet (met stukken) onderbouwd. Ook in zijn totale oeuvre heeft [eiser] geen inzicht gegeven. Bij deze stand van zaken kan de kantonrechter niet vast stellen of, en zo ja, in hoeverre zijn reputatie door verwijdering en vernietiging van het kunstwerk is aangetast. Ook het feit dat het kunstwerk altijd op een schoolplein heeft gestaan, dus van 1976 tot en met 2008, speelt hierbij een rol. Dat schoolplein was, zoals tijdens de mondelinge behandeling is komen vast te staan, vanaf de openbare weg namelijk niet goed zichtbaar. De verwijdering van het werk zal dus slechts een beperkte groep zijn opgevallen.

3.8. Als reden voor de verwijdering en vernietiging van het kunstwerk heeft de gemeente aangevoerd dat het kunstwerk al 30 jaar op het schoolplein stond en door kinderen als speel-, zit- en hangobject is gebruikt en daardoor in kwaliteit achteruit is gegaan. Het werk was door dit gebruik versleten, aldus de gemeente. Verder heeft de gemeente een e-mail overgelegd waarin door iemand namens de school wordt geschreven dat in 2008 een verbouwing van de school heeft plaatsgevonden en dat het schoolplein toen ook is heringericht. Volgens een oud bestuurder van de school was het kunstwerk toen zeer verweerd en paste het niet in de herinrichtingsplannen (zie ook 3.2.). Op grond van deze belangen had de gemeente naar het oordeel van de kantonrechter een gegronde reden om tot verwijdering en vernietiging van het kunstwerk over te gaan en leverde dat in verhouding tot de belangen van [eiser] geen misbruik van recht op. De daarvoor vereiste onevenredigheid ontbrak namelijk, zoals volgt uit wat de kantonrechter onder randnummer 3.7. over de belangen van [eiser] heeft overwogen.