IEF 19507

Verbod om beslag te leggen op partij tabaksticks afgewezen

Vzr. Rechtbank Rotterdam 19 oktober 2020, IEF 19507; C/10/604415 / KG ZA 20-845 (RPM tegen Philip Morris) RPM is een groothandelaar in onder meer sigaretten, likeuren en medische hulpmiddelen. Philip Morris is een internationaal opererende tabaksproducent en heeft beslag laten leggen op een container met tabaksticks - orginele merkgoederen die afkomstig zijn van Philip Morris - op een vrachtschip met als bestemming de Filippijnen. RPM vordert opheffing van het beslag. Philip Morris stelt dat het gaat om een partij die nergens anders dan in Armenië op de markt gebracht mag worden. RPM wil echter niet meewerken aan vervoer naar Armenië. Philip Morris wijst op de dubieuze weg die de partij tabaksticks tot nu toe heeft gevolgd en meer in het bijzonder op feiten en omstandigheden rondom het vervoer van de partij naar de Filipijnen. Daarnaast wijst zij op gebreken in de stukken die twijfels doen ontstaan ten aanzien van de stelling van RPM dat zij eigenaar van de partij is en dat de partij een T 1-status heeft. Geoordeeld wordt dat niet zonder meer kan worden uitgesloten dat de vrees van Philip Morris dat de partij uiteindelijk bestemd is om, zonder haar instemming, elders op een markt te worden gebracht wat inbreukmakend handelen oplevert, gerechtvaardigd is. De proceshouding van RPM heeft aan dit oordeel bijgedragen. De vordering van RPM wordt afgewezen.

4.7. RPM eigenaar/rechthebbende van de Partij?
De eerste aanwijzing dat RPM eigenaar/rechthebbende van de Partij is, wordt gevormd door de aankoopfactuur die als productie 4 van RPM is overgelegd. Hoewel Philip Morris kan worden toegegeven dat daarop een factuurnummer en logo van de afzender ontbreken, past de inhoud ervan één op één bij de als productie 10 van RPM overgelegde verkoopfactuur en het als  productie 5 van RPM overgelegde aanbetalingsbewijs van 50% van de verkoopprijs, waarop het factuurnummer vermeld  staat. Gelet op die informatie wordt het opwerpen van vragen, zoals Philip Morris doet, niet aangemerkt als een gemotiveerde betwisting. De bezwaren van Philip Morris lijken vooral gericht te zijn tegen het ontbreken van informatie over de koper van  de Partij. Als zij hierover nader geïnformeerd had willen worden had zij, bijvoorbeeld, in reconventie een vordering op grond van artikel 843a Rv kunnen instellen, maar dat heeft zij nagelaten. De voorzieningenrechter acht dan ook  (summierlijk) aannemelijk dat RPM eigenaar/rechthebbende van de Partij is.

4.8.2. Het op 1 oktober 2017 van kracht geworden artikel 9 lid 4 UMVo vormt een wezenlijke uitbreiding van de werkingssfeer van een Uniemerk ten gunste van de merkhouder. Artikel 9 lid 4 UMVo bepaalt dat de houder van een Uniemerk het recht heeft te verhinderen dat derden in het economische verkeer waren binnenbrengen in de Unie zonder dat deze daar in de vrije handel worden gebracht, wanneer deze waren, met inbegrip van verpakking, uit derde landen afkomstig zijn en zonder toestemming een merk dragen dat gelijk is aan het voor deze waren ingeschreven Uniemerk of in zijn belangrijkste onderdelen niet van dat merk kan worden onderscheiden. Onder deze regeling kan een merkhouder zich, en dat is de wezenlijke uitbreiding, verzetten tegen de binnenkomst in de Unie van oorspronkelijke merkgoederen die zijn geplaatst onder de regelingen extern douanevervoer of douane entrepot (de zogenoemde Tl status). Blijkens overweging 16 in de preambule van de UMVo moet het voor een merkhouder, onder meer, mogelijk zijn om het binnenbrengen van inbreukmakende waren en de plaatsing ervan in alle douanesituaties, te verhinderen, zelfs wanneer dergelijke waren niet bestemd zijn om in de Unie te worden verhandeld.

4.8.3. De Partij betreft originele merkgoederen die afkomstig zijn van Philip Morris. Deze goederen waren door haar alleen voor de markt in Armenië bestemd, zijn zonder haar toestemming naar derde landen gebracht, daaruit weer vertrokken en uiteindelijk in de haven van Rotterdam aangekomen. Zowel in het geval de Partij bestemd is om in de EU (EER) te worden verhandeld, als wanneer dat niet het geval is, is sprake van goederen in verband waarmee Philip Morris een actie op grond van artikel 9 lid 4 UMVo kan instellen.

4.11. In het voorgaande ziet de voorzieningenrechter verder aanleiding om het door RPM gevraagde verbod om opnieuw beslag te leggen op de Partij af te wijzen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat RPM onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan een dergelijke beperking in dit geval kan worden gerechtvaardigd. Feitelijk komt het gevorderde neer op een (gedeeltelijke) beperking van de toegang tot de rechter. Volgens vaste jurisprudentie dient met de beperking van grondrechten, in dit geval een beperking van de artikelen 13 en 6 EVRM waarin het recht op toegang tot de rechter is geregeld, zeer terughoudend te worden omgegaan.