IEF 19908

Uitlatingen over omkoping niet aannemelijk gemaakt

Hof Arnhem-Leeuwarden 13 april 2021, IEF 19908, IT 3487; ECLI:NL:GHARL:2021:3358 (Appellant tegen geïntimeerde) Deze zaak betreft uitlatingen die in 2020 gedaan zijn over een voetbalwedstrijd tijdens het WK van 1994, waarbij Nigeria heeft verloren van Italië met 2-1. Geïntimeerde vervulde destijds een functie bij het Nigeriaanse elftal, appellant heeft hier ook ooit een functie bij vervuld. De rechtbank heeft in kort geding aannemelijk geacht dat appellant in een radio-uitzending van een Nigeriaanse zender heeft gezegd of gesuggereerd dat geïntimeerde deze wedstrijd heeft verkocht. Dit vond de kortgedingrechter onrechtmatig en daarom is appellant veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie in een landelijke krant in Nigeria. Het hof oordeelt nu echter dat geïntimeerde niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant deze uitlatingen heeft gedaan. De vordering van geïntimeerde wordt daarom alsnog afgewezen.

4.9 [geïntimeerde] heeft desgevraagd verklaard dat hij het radiostation heeft gebeld en heeft gevraagd of hij een kopie van het interview kon krijgen, maar dat het radiostation daar niet toe bereid was. Een geluidsopname van het radiogesprek met [appellant] is in deze procedure dus niet beschikbaar en [geïntimeerde] heeft ook geen transcriptie van het interview overgelegd. [appellant] heeft in hoger beroep expliciet betwist de gestelde uitlatingen op de radio te hebben gedaan en heeft aangevoerd dat de weergave van het radiogesprek in de op internet gepubliceerde artikelen niet juist is. De kortgedingrechter heeft aangenomen dat die weergave wel juist is, kennelijk op grond van uitlatingen die [appellant] heeft gedaan tijdens de zitting. Een proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank waaruit de precieze inhoud van die uitspraken en de context daarvan blijkt is echter niet overgelegd.

4.10 Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] daarmee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde uitlatingen zijn gedaan. Het is belangrijk dat niet te snel (zonder dat dit voldoende onderbouwd is) aangenomen wordt dat bepaalde uitlatingen zijn gedaan die zodanig onrechtmatig zijn dat een rectificatie daarvan gerechtvaardigd is. Dit omdat anders het gevaar bestaat dat zonder voldoende grond inbreuk wordt gemaakt op een fundamenteel recht, de vrijheid van meningsuiting.