IEF 20793

Uitlatingen over medewerkers ING vinden onvoldoende steun in feiten

Vzr. Hof Amsterdam 10 mei 2022, IEF 20793, IT 3975; ECLI:NL:GHAMS:2022:1414 (Vrouwe Justitia in Verval tegen ING en Rox Legal) Vrouwe Justitia in Verval heeft op haar website een aantal uitlatingen gedaan over medewerkers van ING, een advocaat en een drietal notarissen. De te beoordelen vraag is of deze uitlatingen onrechtmatig zijn en moeten worden verwijderd. De voorzitter van Vrouwe Justitia in Verval heeft al jarenlang een conflict met ING, waarover vele juridische procedures zijn gevoerd. De voorzitter is in bijna alle procedures in het ongelijk gesteld. Zij is het daar niet mee eens en noemt op haar website de bankmedewerkers, advocaat en notarissen ‘misdrijfplegers’, ‘bedriegers’ en ‘machtsmisbruikers’ en beschuldigt hen van ‘intimidatie’ en ‘corruptie’. De voorzieningenrechter in eerste aanleg heeft geoordeeld dat bepaalde uitlatingen op de website onrechtmatig zijn jegens de betrokkenen en dat Vrouwe Justitia in Verval die uitingen en foto’s moet verwijderen op straffe van verbeurte van een dwangsom. De bedoelde uitlatingen vinden volgens de voorzieningenrechter onvoldoende steun in de feiten. Het hof bekrachtigt de uitspraak van de rechtbank en benadrukt dat de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt bij uitingen die onnodig grievend of onrechtmatig zijn. 

4.7 Door middel van grief V keren de Stichting c.s. zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat sprake is van een onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Voor zover de Stichting c.s. met deze grief aanvoeren dat de voorzieningenrechter heeft overwogen dat foto’s zijn gepubliceerd van ING-medewerkers, mist deze feitelijke grondslag. De voorzieningenrechter heeft in haar oordeel betrokken dat de websites foto’s van de advocaten en notarissen toonden en namen, emailberichten en emailadressen van individuele ING-medewerkers. Met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat het voor het aan de kaak stellen van de gestelde maatschappelijke misstand of voor het uiten van ongenoegen over een organisatie niet nodig is om dergelijke persoonlijke informatie te gebruiken. Het doel dat de Stichting c.s. beogen te dienen met het tonen van deze persoonlijke informatie, hebben zij niet geconcretiseerd. De stelling dat de getoonde foto’s van de advocaten en notarissen functioneel zijn bij de inhoud van de publicaties is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het gebruik van foto’s en kantoorlogo’s versterkt de toespitsing op de persoon en maakt daarmee de uitlatingen in dit geval onnodig grievend. Het beroep van de Stichting c.s. op het citaatrecht snijdt geen hout. Mede in het licht van hetgeen hierna in rechtsoverweging 4.9 aan de orde komt, onderschrijft het hof het oordeel van de voorzieningenrechter dat door het onnodig tonen van deze persoonlijke informatie onrechtmatig inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Grief V faalt dan ook.

4.11 Met grief IX bestrijden de Stichting c.s. het oordeel van de voorzieningenrechter dat de Stichting c.s. hun doel eveneens kunnen bereiken zonder het gebruiken van namen van individuele medewerkers, waaronder de namen van [geïntimeerde sub 4] , [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] , foto’s en zonder beschuldigingen van strafbare feiten. Grief X strekt ten betoge dat de voorzieningenrechter de Stichting c.s. ten onrechte heeft veroordeeld om de namen van [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] en het logo van Rox Legal van hun websites of andere sociale media-accounts te verwijderen en verwijderd te houden. Daarbij wijzen de Stichting c.s. op het belang om zaken uit de praktijk te bespreken en daarbij man en paard te noemen en betogen zij dat het tonen van de foto’s van de notarissen en het kantoorlogo op zich niet onrechtmatig is.

Deze grieven miskennen dat de vrijheid van meningsuiting van de Stichting c.s. niet zodanig wordt ingeperkt dat zij geen namen mogen noemen in een context die op beschrijvende wijze een misstand aan de kaak stelt, maar dat de veroordeling in het bestreden vonnis ziet op een beperking van de vrijheid van meningsuiting in de context van de uitingen waarbij ING c.s. worden aangeduid als ‘machtsmisbruiker’, ‘bedrieger’, ‘misdrijfpleger’, of waarin zij worden beschuldigd van ‘corruptie’ of ‘intimidatie’, althans woorden van gelijke strekking. Het dictum van het bestreden vonnis moet in samenhang met de overwegingen worden gelezen. Hierop stranden de grieven IX en X.