IEF 20357

Schending bedrijfsgeheim van chloordioxide product

Rechtbank Den Haag 4 augustus 2021, IEF 20357; ECLI:NL:RBDHA:2021:12253 (ATSSE tegen eOx) ATSSE heeft informatie verstrekt aan eOx Productie voor het produceren en commercialiseren van een chloordioxide product, genaamd DIOXID S. 0.45%. Deze overeenkomst is later uitgebreid met DIOXID SP 0.75% en bevatte een geheimhoudingsbepaling op straffe van een boete. De verwijten van ATSSE zijn toegespitst op het gebruik van de door haar verstrekte gegevens met betrekking tot DIOXID SP 0.75% in relatie tot (het door eOx International op de markt gebrachte) eOxide LQ (0,75%). Dat zijn allebei chloordioxide producten voor de desinfectie van drinkwater. Geoordeeld wordt onder meer dat Ox International de ATSSE-mengverhouding op onrechtmatige wijze heeft verkregen en gebruikt bij de ontwikkeling van een methode voor de productie van eOxide LQ (0.75%). Ander (onrechtmatig) gebruik door eOx International van de ATSSE-mengverhouding is onvoldoende concreet gesteld en volgt ook niet uit de vaststaande feiten. Bestuurdersaansprakelijkheid. Het stakingsbevel wordt ook opgelegd aan de bestuurder van eOx.

 2.17. Nu eOx International in de periode vanaf 19 juni 2011, behoudens een aantal verwaarloosbare uitzonderingen, dezelfde (combinatie van) samenstelling en bereidingswijze heeft gebruikt voor de productie van component B van eOxide LQ (0,75%), kan de onder III gevorderde verklaring voor recht (dat eOx International aansprakelijk is voor vergoeding van schade nader op te maken bij staat, veroorzaakt door het voortzetten van de inbreuken na de eerste veroordeling van eOx Productie in België op 21 maart 2012) eveneens op de in het dictum vermelde wijze worden toegewezen. De rechtbank tekent daarbij aan dat de periode waarop deze vordering ziet mogelijk beperkter is dan de periode van de vastgestelde schending van het bedrijfsgeheim van ATSSE door eOx International. Daar kan rekening mee worden gehouden bij begroting van de schade.

2.18. Nu ander (onrechtmatig) gebruik door eOx International van de ATSSE-mengverhouding onvoldoende concreet gesteld is door ATSSE en ook niet volgt uit de vaststaande feiten (zie rov. 2.15), is de onder VII gevorderde verklaring voor recht – die ziet op onrechtmatig gebruik van de ATSSE-mengverhouding door eOx International bestaande uit het verder doorontwikkelen van eOxide LQ (0,75%) en/of het ontwikkelen van andere producten met gebruik van de onrechtmatig verkregen ATSSE-mengverhouding –niet toewijsbaar.

2.19. Vordering IV ziet op de samenstelling van DIOXID SP 0.75%. Deze vordering is niet toewijsbaar, nu de samenstelling die eOx International gebruikt voor eOxide LQ (0,75%) niet identiek is aan die van DIOXID SP. 0.75%. Vordering V (de inzagevordering) en vordering VI (rectificatie) zijn toewijsbaar ten aanzien van eOxide LQ (0,75%). Om executieproblemen te voorkomen, zal de rechtbank bepalen dat de rectificatie moet zijn goedgekeurd door ATSSE. De gevorderde dwangsom kan als stok achter de deur ter verzekering van nakoming van het stakingsbevel, de opgave en de rectificatie worden toegewezen, zij het gematigd en gemaximeerd zoals in het dictum vermeld.

2.25. Wanneer wordt vastgesteld dat een vennootschap merkinbreuk maakt, bestaat ruimte om ook aan de bestuurder en/of de feitelijk beleidsbepaler een verbod op te leggen, indien aannemelijk is dat de bestuurder en/of de feitelijk beleidsbepaler, door de inbreuk te bevorderen of niet te verhinderen, terwijl hij daartoe wel in staat was, ook zelf onzorgvuldig handelt.5 Voor toewijzing van een verbod jegens de bestuurder en/of feitelijk beleidsbepaler zal moeten komen vast te staan dat de bestuurder en/of feitelijk beleidsbepaler jegens ATSSE de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW heeft geschonden. Deze ongeschreven zorgvuldigheidsnorm moet worden ingevuld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. Voor onrechtmatigheid is vereist dat de bestuurder en/of de feitelijk beleidsbepaler weet of redelijkerwijs moet begrijpen dat de door hem bestuurde vennootschap inbreuk maakt op de merkrechten en dat hij in weerwil van die wetenschap de merkinbreuk door de vennootschap bevordert of niet verhindert. Bevorderen impliceert actief handelen, met actieve persoonlijke betrokkenheid van de bestuurder en/of feitelijk beleidsbepaler. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de bestuurder en/of de feitelijk beleidsbepaler degene is die binnen de vennootschap de inbreukmakende handelingen uitvoert of wanneer hij bewerkstelligt dat de vennootschap een opgelegd bevel of verbod negeert. Van jegens de merkhouder onrechtmatig niet verhinderen van de merkinbreuk is sprake als de gerechtvaardigde belangen van de merkhouder in de gegeven omstandigheden vergen dat de bestuurder en/of de feitelijk beleidsbepaler de inbreuk daarvan door de vennootschap verhindert en hij hiertoe niet overgaat, hoewel hij daartoe in staat is. Dat laatste is niet reeds aan de orde als de bestuurder (overeenkomstig zijn taak) het algemene beleid van de vennootschap bepaalt. Nu het gaat om gesteld onrechtmatig handelen van een bestuurder en/of feitelijk beleidsbepaler, zal ook moeten vaststaan dat de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt treft ter zake van de verweten gedragingen. Dit kan onder meer worden aangenomen als de bestuurder ten tijde van de inbreuk wist of behoorde te begrijpen dat dat handelen tot schade zou leiden bij de merkhouder.6

De rechtbank knoopt aan bij deze jurisprudentie in deze zaak, waarin het – net als bij merkinbreuk – gaat om handhaving van exclusieve rechten (bedrijfsgeheim) van ATSSE.