IEF 19611

Schadevergoeding voor acteurs uit serie 'Bassie en Adriaan'

Rechtbank Rotterdam 25 november 2020, IEF 19611; ECLI:NL:RBROT:2020:10655 (Acteurs tegen Adrina en Bassie) Schadestaat. Vervangende schadevergoeding. Acteurs hebben tussen 1977 en 1992 meegewerkt aan tv-series met “Bassie en Adriaan” in de hoofdrol. Aan de acteurs dient alsnog een vergoeding te worden betaald voor het gebruik vanaf 15 februari 2002 van hun acteerprestaties in vier series met “Bassie en Adriaan” op video of DVD. De schade kan niet nauwkeurig worden vastgesteld en wordt geschat (art. 6:97 BW). Adrina c.s wordt veroordeeld tot betaling van € 15.000,00.

4.3.
Volgens vaste jurisprudentie kan, wanneer een procedure tegen een rechtspersoon is aangevangen voor het tijdstip van haar ontbinding en van de vereffening van haar vermogen, die procedure tegen de rechtspersoon worden voortgezet, mede in volgende instanties, ook als de vereffening van haar vermogen inmiddels is geëindigd en daarvan opgaaf is gedaan door de vereffenaar aan de registers overeenkomstig art. 2:19 lid 6 BW. (HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9762). De ratio hierachter brengt mee dat ook in het onderhavige geval, waarin sprake is van een schadestaatprocedure die voortvloeit uit een procedure die tegen de rechtspersoon is aangevangen voor het tijdstip van haar ontbinding, de schadestaatprocedure tegen de rechtspersoon kan worden voortgezet. Dat, zoals Adrina c.s. hebben aangevoerd, de schadestaatprocedure wordt ingeleid met een nieuwe dagvaarding, maakt dit niet anders. Dat is ook het geval als na ontbinding en beëindiging van de vereffening wordt doorgeprocedeerd in een volgende instantie. [eiser 1] c.s. zijn daarom ontvankelijk in hun vordering tegen Bassie Produkties.

4.4.
Adrina c.s. hebben voorts aangevoerd dat [eiser 1] c.s. de redelijke termijn voor het aanhangig maken van deze schadestaatprocedure hebben overschreden. Voor zover Adrina c.s. daarmee hebben bedoeld dat de schadestaatprocedure in verband met het tijdsverloop niet meer aanhangig mocht worden gemaakt, faalt ook dit verweer. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van verjaring van de vorderingen van [eiser 1] c.s. Ook is geen sprake van rechtsverwerking, nu daar - zoals het hof ook in het arrest heeft overwogen - meer voor nodig is dan louter stilzitten. Dat [eiser 1] c.s. wel erg lang hebben gewacht met het naar aanleiding van het arrest aanhangig maken van de schadestaatprocedure, betekent niet dat deze niet meer aanhangig kon of mocht worden gemaakt. Wel mocht in de gegeven omstandigheden van [eiser 1] c.s. temeer een gedegen onderbouwing van de - alsnog - in bedragen uitgedrukte vorderingen worden verlangd. Het totale tijdsverloop als gevolg van de door [eiser 1] c.s. gemaakte processuele keuze om eerst thans een schadestaatprocedure aanhangig te maken, brengt voorts mee dat het in de rede ligt om er - conform de door Adrina c.s. geuite wens, waarbij zij zich mede op de gevorderde leeftijd en gezondheidssituatie van beide bestuurders/enig aandeelhouders beroepen - naar te streven om in deze procedure in deze instantie zo weinig mogelijk extra vertraging door verdere procesverrichtingen te laten optreden. De geboortedatum van de bestuurder en enig aandeelhouder van Adrina, de heer [naam persoon 2] , is [geboortedatum 1] . De geboortedatum van de bestuurder en enig aandeelhouder, ook bewaarder van boeken en bescheiden, van Bassie Produkties, de heer [naam persoon 1] , is [geboortedatum 2] . Een en ander in aanmerking nemende, acht de rechtbank het ongewenst om zich ter zake van de te begroten schade thans nog te laten voorlichten door een of meer te benoemen onafhankelijke deskundigen. Voorzienbaar is immers dat dit niet alleen tot extra kosten, maar ook tot een aanzienlijke extra vertraging van de procedure zou leiden.