IEF 19904

Prejudiciële beslissing over rechtmatig belang

HvJ EU 15 april 2021, IEF 19904, IEFbe 3204; ECLI:EU:C:2021:279 (Hengstenberg) De benaming „Spreewälder Gurken (BGA)” is sinds 19 maart 1999 geregistreerd als beschermde geografische aanduiding voor o.a. augurken. Op 18 februari 2012 heeft Spreewaldverein bij het DPMA een aanvraag tot wijziging van het betrokken productdossier ingediend, die betrekking had op een wijziging van de productiemethode van die augurken. Hengstenberg heeft vervolgens bezwaar aangetekend en daarna beroep ingesteld tegen de aanvraag. Er is daarna tussen de twee behandelende Duitse gerechten van deze kwestie een verschil van opvatting ontstaan over wanneer een partij het "rechtmatig belang" heeft voor het opkomen tegen een wijzigingsaanvraag van een productdossier binnen deze branche. Hierover heeft het Bundesgerichthof nadien een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof. Deze antwoordt hierop dat er sprake van een dergelijk rechtmatig belang kan zijn voor elke natuurlijke of rechtspersoon die door de gevraagde wijzigingen daadwerkelijk of potentieel economisch wordt geraakt.

53. Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 49, lid 3, eerste alinea, en lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 1151/2012, gelezen in samenhang met artikel 53, lid 2, eerste alinea, van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat in de procedure voor aanvragen tot niet-minimale wijziging van het productdossier van een product met een beschermde geografische aanduiding elke natuurlijke of rechtspersoon die door de gevraagde wijzigingen daadwerkelijk of – voor zover dit althans niet geheel onaannemelijk is – potentieel economisch wordt geraakt, het „rechtmatige belang” kan hebben dat vereist is om bezwaar aan te tekenen tegen de ingediende wijzigingsaanvraag of om beroep in te stellen tegen het besluit waarbij die aanvraag wordt ingewilligd, voor zover het gevaar dat de belangen van die persoon worden geschaad niet volstrekt onwaarschijnlijk of hypothetisch is, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

Prejudiciële vraag:

30. In deze omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Kan in de procedure tot niet-minimale wijziging van het productdossier elke natuurlijke of rechtspersoon die daadwerkelijk of – voor zover dit althans niet geheel onaannemelijk is – potentieel economisch wordt geraakt, het ‚rechtmatige belang’ in de zin van artikel 53, lid 2, eerste alinea, juncto artikel 49, lid 3, eerste alinea, en lid 4, tweede alinea, van [verordening nr. 1151/2012] hebben dat vereist is om bezwaar aan te tekenen tegen die aanvraag of om beroep in te stellen tegen het met betrekking tot die aanvraag vastgestelde gunstige besluit? 

[...]